Zo bleef Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal

Tussen twee fronten

Door: Wim Klinkert

draad0

Er vielen Engelse bommen op Zeeuwse steden en Duitse duikboten brachten Nederlandse schepen tot zinken. Toch wist de regering ons land buiten de Grote Oorlog te houden.

‘Geen twist zoekt Nederland met de volkeren
Het wil Vrede, niet den strijd
Maar als het moet, zal het zich weren
Voor vrijheid en neutraliteit’

Deze woorden klonken in 1915 honderden malen door Nederlandse schouwburgen door het gehele land. Ze waren deel van het lied ‘Holland Strijdvaardig’, dat Henri ter Hall, de Joop van den Ende van die tijd, had opgenomen in zijn musical In ’t Gedrang. Het uitbundige showprogramma, met komiek Johan Buziau als grote ster, gaf met zang en sketches weer hoe Nederland als eilandje van vrede ondanks veel moeilijkheden het hoofd boven water hield. Het was een vrolijke noot in tijden van onzekerheid. In 1917 stond de oorlog opnieuw centraal in Ter Halls revue Afkloppen, die met veel succes het hele land door ging. Het verhaal ging over oorlogswinstmakers, die met smokkel en zwartemarktpraktijken hun zakken vulden. Ook duikboten, naar Nederland gevluchte krijgsgevangenen en deserteurs en de voedselschaarste kwamen op onderhoudende wijze in de show langs. Een avond plezier in het derde mobilisatiejaar, waarin steeds minder te lachen viel.De oorlogvoerenden respecteerden als het om hun legers ging de Nederlandse landsgrens nauwgezet, maar in het Nederlandse luchtruim en de kustwateren schonden Duitse en Britse schepen, zeppelins en vliegtuigen de neutraliteit met grote regelmaat. Niet alleen lazen de Nederlanders hierover in hun krant, de vliegtuigen en zeppelins konden ze ook met eigen ogen zien.

De spraakmakende film Holland neutraal moest aantonen dat de neutraliteit in veilige handen was

En ook op het filmdoek kwam de oorlog dichtbij. De eerste drie maanden van 1917 was de film Holland neutraal spraakmakend. In opdracht van de regering was een avondvullende documentaire over de Nederlandse strijdkrachten gemaakt, die moest aantonen dat de neutraliteit in veilige handen was. De oudste bioscoop van Den Haag, in de Kettingstraat, had de primeur, en daarmee was de eerste galapremière van een Nederlandse film een feit.

De koninklijke familie, de regering en de legertop bevolkten de rode loper. Dezelfde weken trok het publiek ook massaal naar de Britse film over de Slag aan de Somme, die het jaar voordien had plaatsgevonden. Nooit eerder waren de verschrikkingen van de oorlog zo expliciet aan een breed Nederlands publiek getoond. De kranten konden niet anders concluderen dan dat deze schokkende beelden de vredeswens versterkten.

 

Sinds augustus 1914 stond het Nederlandse leger met 200.000 man paraat. En als enige van alle neutrale landen handhaafde Nederland zijn leger gedurende de gehele oorlog op volle oorlogssterkte. Veel families telden dus een zoon of vader in uniform, en met de karige vergoedingen voor gemobiliseerden betekende dit vaak een aanzienlijke aanslag op het gezinsinkomen.

Maar opperbevelhebber generaal C.J. Snijders wist met het argument dat het gevaar van een vijandelijke inval altijd om de hoek loerde politieke steun voor de grote legermacht te behouden.

Loos alarm

Tijdens de paasdagen van 1916 was er korte tijd paniek toen berichten uit Duitsland over een dreigende aanval van de Britten op Zeeland rondgingen. De regering had verloven ingetrokken en troepen verplaatst. Het was loos alarm, maar Snijders kon het goed gebruiken om het belang van een grote, parate krijgsmacht opnieuw te onderbouwen.

In 1917 kreeg hij nog meer argumenten aangereikt, vooral door de afkondiging door de Duitse regering op 1 februari van dat jaar van de onbeperkte duikbootoorlog. Via aanvallen op alle schepen die Engeland bevoorraadden, hoopte de Duitse legerleiding dat land op de knieën te dwingen. Ook schepen uit neutrale landen waren nu vogelvrij.

Ruim twee maanden later kozen de Verenigde Staten de zijde van de geallieerden. Daarmee was de belangrijkste en grootste neutrale staat een oorlogvoerende geworden, en ook dat verzwakte de Nederlandse positie. Nu moest de fakkel van de neutraliteit door kleine Europese landen brandend gehouden worden. Daarbij moesten ze hun hoop meer vestigen op bescherming door het internationale recht dan op de sterkte van hun legers. De Nederlandse regering wenste al haar krachten te geven, en uitte dat ook nadrukkelijk, maar moest overleven in een steeds gevaarlijkere omgeving.

De ‘vergissingsbombardementen’ van de Britse luchtmacht op Zeeuwse steden veroorzaakten drie doden

Vooral op zee en in de lucht trof het oorlogsgeweld Nederland. In maart 1916 bijvoorbeeld was het mooiste en nieuwste passagiersschip van de Hollandsche Lloyd, de Tubantia, niet ver uit de Zeeuwse kust door torpedering tot zinken gebracht. Al snel bleek een Duitse onderzeeboot hiervoor verantwoordelijk. De Nederlandse regering protesteerde en na een jarenlange arbitragezaak betaalde de Duitse regering schadevergoeding.

Zeker zo dramatisch waren de ‘vergissingsbombardementen’ van de Britse luchtmacht op Zeeuwse steden. Veertienmaal vielen tussen april en december 1917 Britse bommen op vooral Zeeuws-Vlaanderen. Het meest spraakmakend waren de drie doden en de verwoeste straten in Zierikzee, veroorzaakt door een bombardement op 30 april.

De geïllustreerde pers toonde de verwoesting en de getroffen gezinnen uitvoerig. Het was de eerste omvangrijke oorlogsschade op Nederlandse grond. De regering protesteerde en de Britten erkenden schuld en compenseerden, zij het na een slepende procedure. Dat Zeeland zo nadrukkelijk in de militaire belangstelling stond kwam doordat vanuit bezet Vlaanderen de Duitse luchtmacht aanvallen uitvoerde op Engeland. De Britten trachtten dit te verhinderen door Duitse vliegvelden en bases aan te vallen. De exacte ligging van de Nederlandse grens was voor de vliegers dan niet altijd even duidelijk. Bovendien vonden bijna onophoudelijke beschietingen door Britse schepen van de zwaar versterkte Vlaamse kust plaats.

Belangrijker nog was de vraag wie de Westerschelde, met de haven van Vlissingen en de toegang tot Antwerpen, beheerste. Zolang het Britse en Duitse leger geloofden dat Nederland zijn neutraliteit daar krachtig genoeg verdedigde, en geen van beide partijen van die waterweg kon profiteren, zagen ze van een aanval af. Maar voorbereidingen maakten ze wel.

In het najaar van 1916 kwam vanwege de moeizaam verlopen Slag bij Verdun de Duitse militaire leiding in handen van Paul von Hindenburg en Erich Ludendorff. Zij gaven opdracht plannen te maken om Denemarken en Nederland aan te vallen. Duitsland kon zo een betere toegang tot de zee krijgen, waarmee het de druk op Engeland kon opvoeren. Vooral de Duitse marine, die graag wilde beschikken over Antwerpen en Vlissingen, zette hier vaart achter en ontwikkelde Fall Küste: een aanval over land vanuit bezet Vlaanderen op Zeeland, gecombineerd met luchtaanvallen verspreid over heel Nederland.

Geheime contacten

Deze plannenmakerij kwam in een stroomversnelling na de inname van Roemenië door het Duitse leger en, begin 1917, door de voorbereidingen voor de onbeperkte duikbootoorlog. Toen de Nederlandse regering hier lucht van kreeg, sloeg de schrik haar om het hart. Minister-president Pieter Cort van der Linden beproefde zijn geheime contacten met de Duitse regering en legerleiding. Hij gebruikte daarvoor een hem goed bekende en invloedrijke Duitse ambtenaar. Ook schakelde hij Anton Kröller in, een Rotterdamse ondernemer met een groot en belangrijk netwerk in Duitsland.

Ze moesten de Duitsers ervan overtuigen dat een neutraal Nederland in hun voordeel was en dat Nederland nooit de Britse kant zou kiezen. Stille diplomatie nam de kou even uit de lucht, maar de onbeperkte duikbootoorlog werd wel werkelijkheid.

Drie weken later torpedeerde de Duitse marine maar liefst zeven Nederlandse schepen. De Nederlandse pers schreeuwde moord en brand, maar Duitse politici schrokken ook. Nederland mocht niet in de handen van de Britten gedreven worden, en na telegrafisch contact tussen de Kaiser en koningin Wilhelmina keerde de rust enigszins terug. De Duitse legerleiding zette in 1917 echter door met de voorbereiding van een aanval op Zeeland en voerde daar voortdurend omvangrijke spionageactiviteiten uit. Ze wilden de Britten een stap voorblijven.

De Duitse marine torpedeerde zeven Nederlandse schepen en na telegrafisch contact tussen de Kaiser en koningin Wilhelmina keerde de rust enigszins terug

Maar de aanvalsplannen die de Duitsers vreesden, hadden de Britten niet. In Londen lag wel Scheme S op de plank, waarbij S stond voor Schelde. Het betrof het overzetten van Britse troepen en vliegtuigen naar Walcheren om het Nederlandse leger bij te staan in geval van een Duitse aanval op Zeeland. De Duitsers moesten dus beginnen om de Britten in actie te laten komen.

De Nederlandse legerleiding zou pas in 1918 van deze Britse plannen horen, omdat vanaf eind 1917, ter voorbereiding van Britse steun aan de verdediging van Zeeland en Holland, informele en geheime Nederlands-Britse militaire contacten plaatsvonden. Opmerkelijk genoeg wist de Nederlandse regering daar niets van. Het had haar zeer in verlegenheid kunnen brengen.

Voortrekkersrol

Minister van Buitenlandse Zaken John Loudon geloofde in de Nederlandse voortrekkersrol op het gebied van internationaal recht en bemiddeling. Onvermoeibaar wees hij de oorlogvoerenden op hun schendingen van de rechten van neutralen, en in 1917 trachtte hij de Nederlandse positie verder te versterken door een bemiddelingspoging te wagen. Niet alleen zou dat Nederlands positie als gidsland op internationaal rechtelijk gebied versterken, het zou de Haagse diplomaten ook een plaats aan tafel bij eventuele vredesonderhandelingen bezorgen.

Samen met de auteur Frederik van Eeden had hij eind 1916 al zo’n poging bij de Britse regering gedaan, maar die toonde weinig interesse. In de zomer van 1917 kwam er een nieuwe kans. Den Haag werd toen het toneel van een bijzondere conferentie: het enige officiële Duits-Britse diplomatieke overleg van de oorlog, dat resulteerde in het Verdrag van Den Haag van 2 juli 1917. Nederland verplichtte zich hiermee 16.000 Duitse en Britse krijgsgevangenen op te nemen en te verzorgen zolang de oorlog nog zou duren.

Deze Nederlandse humanitaire daad paste in een traditie van Nederlandse steun aan slachtoffers van oorlogsgeweld. Er waren op dat moment al Nederlandse ziekenhuizen in Rusland, in Parijs en aan het Oostenrijkse front in Gleiwitz. Nederlandse artsen en verpleegsters trachtten daar het leed te verlichten.

Er waren Nederlandse ziekenhuizen in Rusland, Parijs en aan het Oostenrijkse front in Gleiwitz, waar Nederlandse artsen en verpleegsters het leed trachtten te verlichten

Arius Tienhoven bijvoorbeeld had als arts al tijdens de Balkan-oorlogen (1912-1913) in Servië gewerkt en daarvoor in Nederland inzamelingsacties gehouden. In 1914 keerde hij op eigen initiatief naar Servië terug en informeerde de Nederlandse bevolking over de gruwelen van de oorlog. Ook in Frankrijk en Albanië was deze bevlogen Nederlandse medicus actief.

Bovendien had Nederland, met steun van het Rode Kruis, al in 1915 en 1916 transport mogelijk gemaakt van bijna 3000 Britse en Duitse krijgsgevangenen naar hun vaderland. Het Verdrag van Den Haag paste in deze traditie. Het was een daad van humaniteit, maar met een politieke boodschap. Minister Loudon hoopte hiermee de Nederlandse neutraliteit te versterken – die werd immers in een formeel internationaal contact als nuttig erkend. Hij hoopte zo op goodwill van de strijdende partijen. Zeker nu moeilijke besprekingen met Duitsland op het programma stonden over de leverantie van steenkool, voor Nederland brandstof van essentieel belang.

De minister trotseerde met het Verdrag kritiek vanuit de Nederlandse bevolking, die niet altijd enthousiast was over de opname van nog meer mensen. Voedsel was immers schaars en Nederland had sinds 1914 al veel vluchtelingen, deserteurs en krijgsgevangenen binnen zijn grenzen. De kosten kon Loudon weliswaar verhalen op de Britse en Duitse regering, maar pas in de toekomst. Anderen prezen de menselijkheid die Nederland toonde; alleen het neutrale Zwitserland koos een vergelijkbare rol. De gevaren die Nederland omringden werden er echter niet minder door. Integendeel, in 1918 zou het land nog een uiterst moeilijk jaar doormaken, waarin de neutraliteit zwaarder dan ooit op de proef werd gesteld.

Wim Klinkert is hoogleraar militaire geschiedenis aan de Nederlandse Defensie Academie en de Universiteit van Amsterdam.

Advertenties