SLAVERNIJ PROJECT De Romeinen

De Romeinen.

 

Romeinse Huisslaven en Gladiatoren

 

Bron I: Slavernij in het Romeinse Rijk

Het grootste deel van de slaven in het Romeinse rijk werden in oorlogstijd tot slaaf gemaakt. Er waren ook andere redenen waarop mensen tot slaaf werden gemaakt. Zo was slavernij ook een manier om een financiële schuld af te betalen. De slaaf moest dan net zo lang werken tot hij zijn schuld had vereffend. Het kwam zelfs voor dat mensen zich vrijwillig tot slaaf lieten maken. Veel Grieken waren geletterd en begaafd, maar leefden in verarmde streken. Zij verkochten zichzelf aan slavenhandelaren, omdat ze in Rome verzekerd waren van een goede leefomgeving.

 

Bron II: Slavenmarkt

De slavenhandel vormde een aanzienlijk deel van de Romeinse economie. Het werkelijke handelen in slaven gebeurde echter door slavenhandelaren, de zogenoemde mangones. Deze koopmannen werden over het algemeen gezien als een soort pooiers. Omdat men weinig vertrouwen had in de mangones, kregen kopers een bewijs van aankoop mee. Als de slaaf na aankoop een mankement bleek te hebben dat niet op het bewijs vermeld stond, kreeg de koper zijn geld terug. Deze lijfeigenen werden over het algemeen naakt verkocht op de markt, zodat kopers goed konden zien hoe ze eruit zagen.

 

 

                                                          

Bron III:        Huisslaven of Servi privati

Men schat dat van de 1 miljoen mensen die in de 1e eeuw na Christus in Rome woonden, 400.000 mensen slaaf waren. De Romeinen gebruikten hen voor allerlei taken. Zo werden ze bijvoorbeeld ingezet als schoonmaker, kok, verzorgingsslaaf of seksslaaf. Minder welgestelde gezinnen konden maar één of twee slaven betalen en zij hadden dus ook meer taken. Sommige slaven, vooral die uit de Griekse streken, waren goed ontwikkeld en konden lezen en schrijven. Deze werden vaak ingezet om de kinderen van hun eigenaren te onderwijzen, of als secretaris. Hoewel eigenaren vrij waren om hun slaven te slaan of zelfs te doden, kwam het vaak voor lijfeigenen goed behandeld werden en zelfs bevriend raakten met hun meesters.

 

Een modaal gezin had twee tot drie slaven. Wanneer je je geen enkele slaaf kon permitteren was je wel heel arm. Hoe rijker het huishouden was, hoe meer slaven er waren. Soms wel honderden. Deze werden dan weer onder leiding van een slaaf onderverdeeld in groepen van tien, ieder met zijn eigen taak en gebied. Bijvoorbeeld de keuken, slaapkamers, eetkamer etc.

Slaven moesten werkelijk alle klusjes doen die hun meester ze opdraagt zoals schoonmaker, of kapster. Maar bijvoorbeeld ook secretaris of amanuenses. Deze laatste twee werden alleen gedaan door slaven die konden lezen schrijven en rekenen. Hoog opgeleide slaven dus.

Bron IV. Zware arbeid.

Anderen hadden minder geluk en werden slechter behandeld. Veel slaven, vooral zij die afkomstig waren uit ‘barbaarse streken’ zoals Gallië, Germanië en Thracië, werden ingezet om zware arbeid te verrichten. Zij konden immers niet lezen of schrijven en werden door de Romeinen vaak als gevaarlijke beesten gezien. De Romeinse staat of Romeinse bedrijven kochten grote groepen slaven op om ze in te zetten als arbeider. Ze werden aan het werk gezet in de landbouw of de mijnbouw. Vooral bij die laatste industrie was het werk zeer gevaarlijk, vanwege de primitieve methodes die de Romeinen gebruikten.

Thraciërs (bulgaren) te paard

 

BronV: Wanneer werd je gladiator:

Een gladiator is iemand die meestal vrijwillig een contract afsloot. Hij gaf zijn vrijheid als burger voor een aantal jaren op en behoorde dus officieel tot de stand van de slaven.
Een gladiator werd je wanneer je je schulden niet meer kon betalen of wanneer je reeds slaaf was. Sommige slaven werden ook gedwongen om gladiator te worden maar dit waren er relatief weinig. Toch kon een gladiator de status van een superster krijgen door moedig te vechten en dit was voor enkelen ook een reden om gladiator te worden. Sommige gladiatoren hadden dezelfde status als een filmster van tegenwoordig met alle voordelen die daarbij hoorde.

Bron VI: De Ludus of vechtschool

Elke grote stad had een ludus of een vechtschool. In Rome alleen al had je 4 ludi maar de belangrijkste en eerste gladiatorenscholen bevonden zich in Capua. Het was in Capua dat Spartacus, een gladiator, de grote slavenopstand zou beginnen.

De kazernes in de school waren comfortabel en het eten was er goed. Gladiatoren waren dan ook kostbaar en werden goed verzorgd. De opleiding verliep streng, soms bruut maar vooral erg gedisciplineerd. Een goede vechttechniek bood de gladiatoren de beste overlevingskansen in de arena. De gladiatoren doorliepen een algemene opleiding en kozen daarna één specialiteit. Er konden zo’n 2000 gladiatoren verblijven in deze scholen. Elke gladiator moest een eed afleggen waarin hij totale gehoorzaamheid beloofde aan zijn lanista.

 

Bron VII: De Lanista & de trainer

De baas van een school heette de lanista of ‘vleeshandelaar’, een naam met een erg negatieve bijklank. Hij zag vooral zijn school als een onderneming. Hij kocht en verkocht gladiatoren zoals voetbalclubs nu voetballers kopen en verkopen. Wanneer een gladiator stierf in de arena kreeg hij een vergoeding van de editor, degene die de spelen organiseerde om het verlies te compenseren. Gladiatoren vochten maar een aantal keren per jaar en waren dus een dure investering. Dit ontkracht dan ook de mythe dat in elk gevecht een gladiator stierf. Een gladiator had 90 % kans dat hij een gevecht zou overleven.

 

De trainer

De doctor of trainer was meestal een oudere gladiator met ervaring. Zonder de juiste training waren gladiatorengevechten een gevaarlijke bezigheid, maar vooral saai voor de toeschouwers. Ze waren als acteurs en moesten spektakel verkopen. De doctor was vaak ook begonnen als slaaf maar kreeg na een moedig gevecht soms het houten zwaard. Dit betekent dat hij dan zijn vrijheid kreeg omdat hij zo goed had gevochten. Uitzonderlijk werden ook vrouwen gladiatoren.

 

Bron VIII: Vechten

Romeinen uit hogere standen waren dol op jagen. Jachtdemonstraties waren een populaire vorm van entertainment voor hen. Geleidelijk aan ging men steeds exotischere dieren gaan gebruiken, dit dankzij de vele veroveringen van het Romeinse leger in de provincie Africa.

Zo waren er gevechten met olifanten, panters, krokodillen en nijlpaarden. Uiteraard ontbraken de leeuwen ook niet. De leeuwentemmer had een belangrijke taak omdat hij de dieren moest trainen om iets te doen wat onnatuurlijk voor hen was, namelijk mensen doden op bevel. De Romeinen hadden een oplossing gevonden voor hun krijgsgevangen of criminelen. Ze plaatsten ze ongewapend in de arena tegenover een groep leeuwen. Terwijl ze toekeken werden criminelen aan stukken gescheurd omdat de leeuwen van de leeuwentemmer menselijk vlees gevoerd kregen om te wennen aan de smaak. Maar soms liep het mis en vielen de leeuwen niemand aan. De oorzaak hiervan was het vele lawaai dat het publiek maakte. Een leeuw schrikt hiervan terug en weigert dan aan te vallen.

Wanneer dit gebeurde lag het lot van de leeuwentemmer in de handen van de editor en stierf hij als straf in de arena.

 

Bron IX: Gladiatoren waren dik

In films hebben gladiatoren vaak een gespierd en getraind lichaam, maar in werkelijkheid waren de meeste vechters moddervet.

Ze aten waarschijnlijk met opzet te veel, omdat een flinke vetlaag zenuwen en slagaderen beschermde tegen diepe snijwonden.

 

Bron X: welke soorten gladiatoren hadden we?

9078596_orig

Er zijn veel verschillende soorten gladiatoren; hieronder staan er slechts twee beschreven, maar er zijn er veel meer. Er waren vele soorten gladiatoren, maar het meest kwamen de thraex, de retiarius en de myrmillo voor. De oudste soorten gladiatoren droegen de naam van een volk: de Samniet en de Galliër. Hun uitrusting bestond uit dezelfde wapens als die waarmee de Samnieten en Galliërs in hun oorlogen met de Romeinen gewoonlijk vochten.

  1. De Samniet (samnis) was oorspronkelijk lichtbewapend, maar werd steeds zwaarder bewapend. Hij droeg een helm met pluim en een vizier, een beenplaat aan zijn linkerbeen tot aan zijn dij, een groot schild en een kort zwaard. Vanaf de vroege keizertijd werd hij hoplomachus (Grieks voor ‘zwaarbewapende’) genoemd
  2. De retiarius (‘netvechter’) had een groot net (rete) met een doorsnee van 3 m., een drietand en soms ook een dolk. Hij had alleen bescherming om zijn linkerarm en -schouder. Vaak droeg hij ook een bronzen beschermingsplaat (galerus) van zijn nek tot linkerelleboog. Vaak vocht de retiarius tegen de secutor

BronXI: De eerste gladiatoren en het programma van een gladiatoren gevecht.

Munus

Het oudst bekende gladiatorgevecht in Rome vond plaats in 264 voor Christus. Bij de begrafenis van de aristocraat Junius Brutus Pera organiseerden zijn twee zoons een drietal gevechten op het Forum Boarium, de Rundermarkt. Zij gaven het spektakel de naam ‘munera’, de meervoudsvorm van ‘munus’, dat ‘verplichting’ betekent. Aanvankelijk werden gevechten dus alleen als eerbetoon gehouden, maar in de loop der tijd werd het ook een manier voor een politicus om het volk aan zich te binden. Zo organiseerde Julius Caesar in 65 voor Christus een gevecht met 640 gladiatoren als een munus voor zijn vader, die toen al ruim 20 jaar was overleden

Dagprogramma

Naarmate de spelen steeds groter werden, ontstond er ook een vaste dagindeling voor het evenement. Zo begon het spektakel met de ‘venationes’, jachtpartijen of gevechten tussen dieren onderling. Daarna volgden de ‘bestiarii’, speciale gladiatoren die het opnamen tegen wilde dieren, onder andere namen ze het op tegen leeuwen en krokodillen. Rond het middaguur werd het programma onderbroken voor de executies, waarbij gevangenen op de brandstapel gezet werden of voor de wilde dieren werden geworpen (‘ad bestias’). Pas in de middag begon vervolgens het hoofdspektakel, de gladiatorengevechten op leven en dood.

Bron XII: Vrouwelijke gladiatoren

Een onderdeel dat geen vaste plaats had in het programma was het vrouwengevecht. Toch bestaan er meerdere historische bronnen die wel melding maken van een dergelijke strijd. Zo schrijft de dichter Juvenalis (60-133) over de gladiatrice Mevia, die ‘met een speer in de hand en met ontblote borsten’ tegen wilde beren vocht. Tijdens het bewind van Domitianus (81-96) stonden er eveneens vrouwelijke gladiatoren in de arena, maar ditmaal namen zij het op tegen een groep dwergen. Over het algemeen beschouwden de Romeinen de vrouwengevechten echter als absurd en namen zij deze niet serieus. Zo werd keizer Septimus Severus (193-211) door het publiek begroet met spreekkoren en kattengeluiden toen hij vrouwelijke gladiatoren introduceerde tijdens zijn spelen.

Al in 11 na Chr. werd er een senaatsbesluit uitgevaardigd dat vrijgeboren vrouwen onder de 20 voortaan niet meer in de arena mochten optreden. Getuigenissen over optredens van zulke gladiatrices stammen vooral uit de tijd van keizer Nero. De enige afbeelding van vrouwelijke gladiatoren die bewaard is, uit Halicarnassus in Klein-Azië, laat twee gladiatrices zien met een groot schild en klein zwaard, maar zonder helm, waarschijnlijk om het publiek goed te laten zien dat ze vrouwen waren. Keizer Septimius Severus verbood in 200 na Chr. de deelname van vrouwen aan de gevechten.

Bron XIII. Algemene geschiedenis van slaven in het Romeinse rijk deel I

Tegen 146 v. Chr. waren de Romeinen de onbetwistbare heersers van de beschaafde wereld Met de macht kwamen de verantwoordelijkheden waaronder de voedselvoorziening wan de bezettingslegers, het herstel van de steden die door hun toedoen te lijden hadden gehad en het geruststellen van de plaatselijke boeren dat zij

door de veranderingen geen verliezen zouden lijden. Dit alles vereiste direct beschikbare en goedkope werkkrachten, en er was niemand die goedkoper werk leverde dan de slaaf. Professor Westerman merkt op: ‘De grote toename van slaven in Italië en Sicilië moet worden toegeschreven aan de gevangennamen van vijandelijke troepen en de plundering van steden en dorpen tijdens de Romeinse expansie oorlogen gedurende de 2de eeuw v. Chr.’.

De slavernij had nu een dermate omvang bereikt dat Homerus zijn ogen niet geloofd zou hebben. Op de uitgestrekte landerijen (de *latifundia’) werkten aaneengeketende slaven rij aan rij. In de mijnen en steengroeven werkten mannen en vrouwen onder wrede omstandigheden: ‘zij waren hallf naakt, geketend, en werden voort gedreven door de zweepslagen van de soldaten die hen bewaakten’. Maar het was eveneens onder het bestuur van de Romeinen dal een vrijgemaakte slaaf in de ‘Satyricon’ van Pctronius op kon merken: ‘Dc hemel zij gedankt voor de slavernij. want dankzij deze slavernij kon ik diegene worden die ik nu ben’, en dat Plinius de Jongere kon schrijven over zijn “verlangen hen (zijn slaven) hun vrijheid te geven’. Tussen deze beide uitersten lag een ingewikkeld stelsel van uitbuiting en onderdrukking.

De onmenselijkheid waarmee men de slaven op de ‘latifundia’ ,met name op Sicilië ,
behandelde leidde tezamen met hun enorme aantallen (tussen 222 en 146 v. Chr.
waren er drie slaven op één burger) tot opstanden.

Bron XIV. Algemene geschiedenis van slaven in het Romeinse rijk. Deel II

Spartacus en de opstanden der slaven

Een van de grootste opstanden vond Ín 135 v. Chr. op Sicilië plaats toen 6000 uitgehongerde, gebrandmerkte slaven als gevolg van de’vernederende en onrechtvaardige wijze waarop zij geslagen werden’ legen hun uitbuiters in verzet kwamen. Voor de onderdrukking van een tweede opstand in 104-101 was een leger
van 17.000 Romeinen nodig. Dc beroemdste opruier van hen allemaal was de slaaf Spartacus, een Thraciër van geboorte, die in 73 v. Oir uit een opleidingsschool voor gladiatoren te Capua wist te ontsnappen ca. tezamen met andere vluchtelingen, kans zag, twee eenheden van het Romeinse leger te verslaan. Binnen een tijd van twee jaar telde zijn bende van gevluchte slaven maar liefst 90.000 man. en had hij het grootste deel van zuid Italië onder controle. Maar nadat zij al vechtend de Alpen hadden bereikt, weigerden Spartacus’ volgelingen hem over de bergen te vergezellen, de tijdens hun terugtocht in zuidelijke richting raakte zijn leger verdeeld. Spartacus sneuvelde, de daarmee was de op- stand beëindigd.

De prijs die de slaven voor hun verzet betalen moesten was hoog. Gedreven door een niet aflatende angst voor slavenopstanden, meenden de bezitters dat men hen. zoals Livius het uitdrukte, ‘niet slechts in de geest waarin we gewoon zijn andere tegenstanders tegemoet ie treden zou moeten afstraffen’. Naast vernedering en pijniging werd liet kruisigen gangbaarder als een speciaal voor de slaven gereserveerde straf. Na het verzet van Spartacus werden er 6000 opstandelingen langs de Via Appia aan kruisen opgehangen.

Slaven leefde onder de constante dreiging van een dergelijke onmenselijke behandeling.
Onder het Romeins recht kwam een slaaf onder de absolute macht van zijn meester: het was hem niet toegestaan bezittingen te hebben, enige vorm van overeenkomst met zijn meester, of een blijvende relatie met een lid van de andere sekse aan te gaar (al naar gelang de stemming van de eigenaar was het samenleven van man en vrouw toegestaan, maar dit soort relaties moesten, indien de meester dat eiste, beëindigd worden). Probeerden zij soldaat te worden, dan riskeerden zij daarmee de doodstraf, ondervraging als getuige ging altijd gepaard met martelingen en. wanneer een eigenaar in zijn huis op onnatuurlijke wijze om het leven kwam. Dan konden al zijn slaven de doodstraf verwachten op grond van het feit dat zij de dood van hun meester niet hadden kunnen voorkomen. (Zo gebeurde het dat na de moord op een zekere Pedanius Secundus 400 slaven gedood werden).

Bron XV. Algemene geschiedenis van slaven in het Romeinse rijk deel III. Omdat ze het waard zijn!

Ondanks dit alles beschouwde men slaven toch als een waardevolle investering, en er verschenen dan ook talloze handboeken waarin precies stond aangegeven hoe men een slaaf zo goedkoop mogelijk te eten kon geven en van kleding voorzien. Men loofde aanzienlijke beloningen uit voor het terugbezorgen van ontsnapte slaven. Rond 170 v. Chr. erkende Cato dat het noodzakelijk was genoeg brood , wijn. afgewaaide olijven, olie de zout onder de geketende slaven die op zijn land werkten te verspreiden, maar hij merkte verder op dat dit voedsel beetje bij beetje moest worden uitgereikt opdat men er zo lang mogelijk mee zou kunnen doen. Voor wat de kleding aanging was hij al even zuinig: ‘Om het jaar een tuniek van 3’/i voel langen een wollen cape die levens als deken dienst kan doen. Bij het uitreiken van een tuniek of cape moet de oude ingenomen worden om er simpele nieuwe kledij van te maken*. Hij voegde er nog aan loc: ‘om het jaar moeten ze een goed paar klompen krijgen’. Evenals in het klassieke Griekenland kenden ook de Romeinen gemeenschappelijke en privé-slaven. De taken van de gemeenschapsslaven kwamen vrijwel overeen met die welke zij in Griekenland te vervullen hadden, behalve dat de wegenbouw de andere publieke werken uit- sluitend door slaven werden uitgevoerd. Slaven in privébezit werkten op het land of in de stad. Voor wat het werk op hei land betreft was het zo dat de grote landerijen volledig door slaven, van de rentmeester tot de speciale groep die belast was met het rechtspreken over lotgenoten, bestuurd werden. In de grotere steden werden de huishoudelijke slaven onder meer aangenomen als bedienden, artsen, bibliothecarissen, accountants, dansers de zangers.

Bron XVI.

Om aan de vraag naar dit soort slaven te kunnen voldoen, hadden de welgestelden scholen opgericht waar de mindervermogenden hun slaven tegen betaling heen konden sturen. Een ondernemende de intelligente slaaf die van zijn meester een ‘peculium* (een zaak of bedrijf) gekregen had kon -zoals dat ook in Griekenland mogelijk was -genoeg geld verdienen om zijn vrijheid te kopen waarna hij ook het Romeins burgerrecht kon verkrijgen (voor de bevrijde Griekse slaaf was het verkrijgen van het burgerschap onmogelijk). Er waren zulke grote getalen slaven die op deze wijze vrij geworden waren dat keizer Augustus, bevreesd voor de maatschappelijke onrust die dit tot gevolg kon hebben, de vrijlating van slaven onder de leeftijd van 30 jaar verbood; een tweede wet die vier jaar later van kracht werd bepaalde dat er per landgoed niet meer dan 100 slaven in vrijheid mochten worden gesteld. Gedeeltelijk als gevolg van de toenemende invloed van het christelijk geloof werden de omstandigheden binnen de slavernij wat minder wreed. Toch waren de christelijke gevoelens geenszins liberaal; men voelde meer voor berusting in dan voor afschaffing van de slavenhandel. In zijn ‘Brief aan de Efeziërs” schreef Paulus ‘slaven, gehoorzaamt hen die in deze wereld uw meesters genoemd worden”, een opvatting die hij vele malen herhaalde. Keizer Hadrianus maakte een eind aan het recht van de bezitter te beslissen over het leven de dood van diens slaaf, en de vrijlating werd gemakkelijker ge- maakt. De christelijke keizer Justinianus stond het de slaven die in een heilig ambt werden toegelaten of in het klooster gingen toe vrije burgers te worden, de hij besloot dat het aanranden van slavinnen een misdaad was die met de dood gestraft kon worden.

Bron XVII.

Veertien jaar na Christus kwam er een einde aan de Romeinse expansie. In de daarop- volgende 400 jaar probeerde keizer na keizer, ondanks de interne onenigheid – Ín het bijzonder voor wat het machtige leger betrof – en de dreiging van de barbaarse grensstammen, de stabiliteit te handhaven. Het einde van de expansie ging gepaard met een kleine maar betekenisvolle verandering voor wat de slavernij betrof: ten eerste waren er minder nieuwe krijgsgevangenen die tot slaaf werden gemaakt, en ten tweede kreeg de maatschappij een meer statisch karakter. Onder keizer Diocletianus (eind 3de eeuw), die veel deed om het stervende keizerrijk weer nieuw leven in te blazen, werd de persoonlijke vrijheid opgeofferd voor het welzijn van de staat de werden beroepen erfelijk gemaakt (een systeem dat veel lijkt op dat van de Indiase kasten-structuur). In het belang van zijn eigen onderhoud moest een ieder nu zelfde baantjes aannemen die voorheen door slaven bezet waren geweest.
Verder moesten de grondbezitters de fabrikanten nu enorme belastingen betalen om het leger in stand te houden. Slaven, ook al waren ze te koop, werden nu een luxeartikel dat zich maar weinigen konden veroorloven. Op de arbeidsintensieve landerijen ontstond een nieuw soort landarbeider, de klasse van de ‘coloni’. De Romeinse ‘colonus* was een pachter die zijn meester meestal huurgelden verschuldigd was – de daardoor dus ook verplichtingen aan hem had – en die bij wijze van vergoeding voor zijn meester werkte en hem een deel van zijn oogst afstond. Deze rang was erfelijk: het was een “colomis’ niet toegestaan zijn pachthoeve te verlaten, en wanneer hij bij een ontsnappingspoging betrapt werd kon hij gekneveld en gekastijd worden. Toch kon de ‘colonus’. als hij genoeg geld had tenminste, zijn eigen bezit hebben, en levens had hij het recht om te protesteren legen onrechtvaardige eisen of straffen die hem do.ir zijn meester werden opgelegd. Op het gedeelte van het landgoed dat door de eigenaar verbouwd werd werden nog steeds slaven Ie werk gesteld, maar het werd hen veelal toegestaan kleine boerderijen onder ongeveer dezelfde voorwaarden als die welke voor de ‘coloni’ van kracht waren, te beheren. Deze slaven, die bekend stonden als de ‘quasi coloni’. en de’coloni’ mochten onder elkaar huwen, met het gevolg dat deze beide klassen op den duur in elkaar over gingen.

Toen Rome ten slotte aan het begin van de 5de eeuw onder de druk van de barbaren ineenstortte, begon ook de slavernij binnen Europa af te nemen. Ofschoon het van lijd tot tijd herleefde, deden zich maar weinig gelijk- soortige gelegenheden voor waarbij een heersende militaire macht overwonnen vijanden gevangen kon nemen en tot slaaf maken. Een wederopleving van slavernij dient evenwel vermeld te worden: tijdens de 8ste eeuw werden er door de Germanen grote aantallen slaven gevangen genomen. Aan deze tot de Slavische volksgroep behorende lijfeigenen is de huidige betekenis die wij aan het woord ‘slaaf geven te danken. Een belangrijke opleving van de slavernij was het gevolg van de verbreiding van de Islam in Afrika.