SLAVERNIJ PROJECT Arabieren en Ottomanen

 

Afrika, Arabieren en Ottomanen.

Bron I

De expansie van de religie na 632.

Halverwege de 7de eeuw ondernamen de volgelingen van Allah die zichzelf ‘aan zijn
wil onderworpen hadden’ vanuit Arabië een kruistocht naar Syrië. Palestina en Egypte.
Vandaaruit richten zij zich via de westelijk gelegen woestijn op de vruchtbare gronden van Tunesië, Libië’ en Marokko. De Arabische verovering van Noord Afrika was evenwel een langdurige en moeilijke geschiedenis die veel tegenstand ondervond van de onafhankelijke Berberstammen.

Ofschoon de berbers zich tenslotte aan het islamitische geloof overgaven, en de Arabieren tijdens de 8ste eeuw zelfs hielpen bij de verovering van Spanje, bleven zij hun onafhankelijk identiteit toch altijd behouden. Inmiddels hadden de berbers uit de Tunesische vlaktes en uil de kuststreek van Algiers en Marokko de bron die in de toekomst de belangrijkste voor de slavenhandel zou worden, aangeboord: West Afrika. Rijdend op hun kamelen en grote woeste paarden hadden de berbers ivoor, veren en huiden met de Carthagers verhandeld en de circussen van het keizerlijke Rome van wilde dieren voorzien

Bron II

Aan de andere zijde van de Sahara ligt de uitgestrekte savanne die de Arabieren Soedan, ·of ‘het land van de zwarten’ noemen en dat zich van de Atlantische Oceaan tot aan de Rode Zee uitstrekt. In de 9de eeuw trokken enorme handelskaravanen van Tripoli en Cadames naar de oases van Fezzan de nog zuidelijker tot voorbij het Tsjaadmeer in het koninkrijk van Kanembu
Doordat men genoodzaakt was slaven te vinden die men tegen zout. zwaarden, paarden, boeken of maliënkolders zou kunnen ruilen, was men in Khartoem gedwongen het land in zuidelijke lichting steeds verder uit te breiden. In de 15deeeuw lag het centrum van het land in Bornu. ten westen van het Tsjaadmeer (in het noordoosten van het huidige Nigeria). In de 19de eeuw was de maatschappij er nog steeds op slavernij gebaseerd, en waren de slavensystemen er nog steeds te vergelijken met die uit de tijd van Homerus. Tussen de 9de en de 16de eeuw verschenen de verdwenen er in het Afrika ten zuiden van de Sahara diverse maal schappelijke stelsels die op slavernij gebaseerd waren. Net als elders het geval was. waren de systemen waarop de slavernij berustte net zo verschillend als de gemeenschappen waar zij deel van uit maakten.

Bron III

Het Mandingo keizerrijk, het tegenwoordige Mali, was een van de grootste koninkrijken. Het bereikte zijn hoogtepunt in het begin van de 14de eeuw onder de grote Mansa Musa. die zijn grenzen in zuidelijke richting uitbreidde en over een prachtige cultuur incl Timboektoe als centrum, regeerde. Hij was zo ontzettend rijk, dat toen hij tijdens een officiële pelgrimstocht naar Mekka door Kaïro trok. de Egyptische geldmarkt door de overdaad van gouden geschenken die hij uitdeelde volkomen van slag af raakte. Net als de andere keizerrijken maakte Mandingo haar overwonnen vijanden tot slaaf. Tegen hei einde van de 15de eeuw raakte Mandingo in verval en kwam het oostelijk ervan gelegen Songhay in opkomst; deze slaat wist tenslotte zelfs een deel van het voormalige Mandingo keizerrijk te veroveren.

Beide landen zouden via de handel met de Europeanen van hun eigen slavernij-tradities profileren.

In het westen lag het dichtbevolkte kustgebied van Ghana met zijn slaatjes Oyo, Benin. Dahomei en Asjanti, gebieden die tijdens de periode van de Atlantische slavenhandel op brute wijze geplunderd zouden worden. Deze rijkjes, die door hun ondoordringbare bossen van de Sahara gescheiden waren, richtten zich met de komst van de Europese handelslieden voor hun welvaart niet zozeer op de woestijn als wel op de zee.

Bron IV

Mammelukken

letterlijk: (een persoon) in bezit, bezetene; vroeger ook als “mamelukken” gespeld). Deze waren in de middeleeuwen in de islamitische wereld slaven, voornamelijk van Turkse origine, die opgeleid werden tot militair of bestuurder. De meesten waren geboren in arme families, die bij een overschot aan kinderen hun zonen verkochten. Veel islamitische veroveraars uit de middeleeuwen maakten gebruik van legers die grotendeels uit dergelijke slaven bestonden. Slaven die bijzonder capabel bleken konden tot hoge functies opklimmen, zoals legerleider, minister of vizier. In een aantal gevallen werd een voormalige slaaf zelfs sultan.

In het Midden-Oosten werden de mammelukken een machtige militaire orde, die als ridders te paard vochten, onder andere tegen de kruisridders. Van 1250 tot 1517 regeerde een mammelukkendynastie van sultans over Egypte. Eerder, in 1206, was in het noorden van India de Slavendynastie aan de macht gekomen.

Bron V

Mammelukkendynastie

De eerste mammelukken werkten in de 9e eeuw voor het Abbasiden-kalifaat in Bagdad. De Abbasiden wierven hen uit niet-moslimfamilies in Anatolië, Oost-Europa, Centraal-Azië en de Kaukasus. Door niet-moslims als militairen in te zetten, werd gedeeltelijk het islamitische verbod op gevechten tussen moslims omzeild. Na hun bekering tot de islam werden zij opgeleid tot cavaleristen. Hun diensten werden beloond met macht en uiteindelijk met vrijheid. Vele mammelukken klommen op tot hoge posities binnen het rijk. De status was niet-erfelijk: zonen konden hun vaders niet opvolgen.

In het leger van het Ajjoebidische Rijk, opgericht door Saladin, kregen de mammelukken na verloop van tijd de macht in handen. In 1250 leidden mammelukse emirs een succesvolle staatsgreep en vermoordden de Ajjoebidische sultan. Daarna konden ze Egypte voor zich opeisen. Dit zouden ze (min of meer) behouden tot Napoleon Bonaparte in 1798 egypte veroverde.

Bron VI

De geschreven geschiedenis van de Arabische slavenhandel in Afrika begon in het jaar 652, toen generaal en emir Abdallah ben Said de overwonnen koning Khalidurat van Makuria een verdrag liet tekenen, waarin onder meer werd vastgelegd dat de overwonnen koning de Arabieren jaarlijks 300 slaven moest leveren.

Zwarte slavernij kwam al in de 9e eeuw voor in het zuiden van het huidige Irak. De Zanj, die op de zoutpannen moesten werken, kwamen in 869 in opstand. Pas in 883 kon deze opstand definitief worden onderdrukt. Hierna werd het aantal slaven in Irak lager gehouden om een herhaling van de slavenopstand te voorkomen.

Van de 17e tot de 19e eeuw was het eiland Zanzibar onder de heerschappij van de sultan van Oman het centrum van de Oost-Afrikaanse slavenhandel. Deze handel bereikte zijn hoogtepunt in de 19e eeuw.

Vanwege een gebrek aan bronnen en statistieken lopen de geschatte aantallen over de omvang van de Arabische slavenhandel uiteen. Historici schatten het aantal tussen de 8 en 25 miljoen.

Bron VII

Een belangrijke stap in de afschaffing van de Arabische slavenhandel werd gezet na de Tweede Barbarijse Oorlog 1815-1816 , nadat een gezamenlijk Brits en Nederlands marine-eskader Algiers had gebombardeerd en de daar aanwezige slaven had bevrijd, de beis van Algiers, Tunis en Tripoli gedwongen werden een eind te maken aan de Barbarijse piraterij en het tot slaaf maken van christenen. Nadat Frankrijk in 1890 Frans-Soedan had gekoloniseerd werd de slavernij in 1905 afgeschaft. In 1956 werd openlijke slavenverkoop gemeld in Djibouti, waar uit Tsjaad afkomstige stammen werden verkocht. In 1924 werd de slavernij afgeschaft in Irak, in 1937 in Bahrein, in 1949 in Koeweit en in 1952 in Qatar. In Jemen werd de slavernij afgeschaft in 1962. In datzelfde jaar schafte ook prins Faisal van Saoedi-Arabië in strijd met zijn broer koning Saoed de slavernij af en compenseerde 1682 eigenaren van slaven. Op dat moment telde Saoedi-Arabië nog tussen de 100.000 en 250.000 slaven.Als laatste land in de regio schafte Oman in 1970 de slavernij af.

Bron VIII

Slavernij en de Ottomanen.

In het midden van de 14e eeuw bouwde Murat I een leger van slaven op, de Kapıkulu. Deze strijdkrachten waren gebaseerd op het recht van de sultan op een vijfde van de oorlogsbuit. Onder oorlogsbuit verstond de sultan ook het meenemen van gevangenen als slaven. Deze slaven werden gedwongen zich te bekeren tot de islam en vervolgens opgeleid in speciale diensten. Het devşirme-systeem (bloedbelasting) kan eveneens worden beschouwd als een vorm van slavernij, omdat de sultan zijn absolute macht over de slachtoffers kon uitoefenen. Echter, als slaaf of kul van de sultan konden ze zich opwerken tot hoge staatsfunctionarissen en deel uitmaken van de militaire elite.

De slaven werden verhandeld op speciale markten (Esir of Yesir). Naar zeggen richtte sultan Mehmet II de veroveraar de eerste vijf slavenmarkten in de jaren 1460 in Constantinopel op.

Het devşirme-systeem was het weghalen van jonge christelijke jongens bij hun families. Deze zogenaamde bloedbelasting werd uitgeoefend in Anatolië en op de Balkan. De jongens werden bekeerd tot de islam en ingelijfd in de meest bekende tak van de Kapıkulu, de janitsaren, een goed getraind keurkorps van het Ottomaanse leger. Het korps vormde een beslissende factor bij de Ottomaanse invasies van Europa. Het merendeel van de militaire commandanten van de Ottomaanse troepen, zoals Makbul Ibrahim Pasja en Sokollu Mehmet Pasja, werden op deze wijze gerekruteerd. In 1609 telde het korps al meer dan 100.000 leden.

De zeer extensieve inzet van slaven ten behoeve van de oorlogsvoering droeg eraan bij dat slavernij in huishoudelijke of economische dienst een minder voorkomend fenomeen was.

Bron IX

Crimean_Khanate_1600

Het Kanaat van de Krim onderhield tot de 18e eeuw eveneens een levendige en grootscheepse slavenhandel met het Ottomaanse Rijk en het Midden-Oosten. Met het oogsten van de steppe verwezen de Tartaren van de Krim naar het halen van Slavische boeren die ze tot slaaf maakten. Het Pools-Litouwse Gemenebest en Rusland leden zwaar onder de reeks Tartaarse invasies, die als doel plundering, roven en het halen van slaven hadden. Tot in de 18e eeuw bleven de grensgebieden in een haast permanente staat van oorlog. Geschat wordt dat tot 75% van de bevolking van de Krim uit slaven dan wel vrijgelaten slaven bestond.

Barbarijse piraten namen tussen de 16e en 19e eeuw honderdduizenden christenen uit Europa gevangen, die ze als slaven verkochten in Noord-Afrika en het Ottomaanse Rijk. De invallen werden vooral geleid door Arabieren en Berbers en minder door Ottomaanse Turken, echter op het hoogtepunt van de Barbarijse slavenhandel in de 16e en 17e eeuw waren de Barbarijse staten onderworpen aan de Ottomaanse jurisdisctie en werden ze geregeerd door Ottomaanse pasja’s. Bovendien werden veel slaven door de piraten verkocht aan Ottomaanse gebieden. Dit gebeurde voor, tijdens en na de Barbarijse periode van Ottomaanse heerschappij.

Bron X

Omdat er islamitische restricties golden om moslims en mensen van het Boek (joden en christenen) tot slaaf te maken, waren gebieden in Afrika een populaire bron voor slaven. Deze slaven werden bekend onder naam Zanj en werden vooral weggevoerd uit het gebied rond het Grote Merengebied en Centraal-Afrika. De Zanj werden vooral in de huishouding ingezet en in het leger als soldaten. Sommigen wisten zich enigszins op te werken, maar over het algemeen golden ze binnen het Ottomaanse Rijk als inferieur aan Europese en Kaukasische slaven. Er wonen tienduizenden Afro-Turken in het moderne Turkije, afstammelingen van de Zanj. De Afro-Turkse activist Mustafa Olpak stichtte de eerste officieel in Turkije erkende organisatie van Afro-Turken (Afrikalılar Kültür ve Dayanışma Derneği) in de stad Ayvalık.

Bron XI

De concubines van de Ottomaanse sultan bestonden voornamelijk uit gekochte slaven. De vrouwen waren over het algemeen van christelijke oorsprong. De moeder van een sultan, ook al was ze feitelijk gezien een slavin, kreeg de titel valide sultan (koninginmoeder). Een opmerkelijk voorbeeld was Kösem Mahpeyker, dochter van een Grieks-orthodoxe priester en moeder van sultan Murat IV en Ibrahim I. Zij was in de eerste decennia van de 17e eeuw een van de meest invloedrijke vrouwen die het Ottomaanse Rijk heeft gekend. Roxelana is een ander opmerkelijk voorbeeld. Zij was de dochter van een Roetheense orthodoxe priester en de favoriete vrouw van Süleyman de Grote.

De concubines werden bewaakt door eunuchen, vaak tot slaaf gemaakten uit Afrika. De eunuchen werden geleid door de Kizlar Agha (agha van de meisjes). Omdat de islamitische wet castratie van de man verbood kocht de sultan eunuchen in Ethiopië, waar jongens op gruwelijke wijze door Koptische priesters waren ontdaan van penis en testikels. De slachtoffers kwamen oorspronkelijk uit streken als Darfoer of Kordofan in de Soedan. Slechts een minderheid overleefde de operatie. De totaal ontmande jongens brachten veel geld op, veel meer dan castraten waarvan alleen de testikels waren verwijderd.

Bron XII

Circassiërs, Syriërs en Nubiërs waren de belangrijkste volken die het Ottomaanse Rijk voorzagen van seksslavinnen. De blanke Circassische vrouwen werden omschreven als eerlijk en werden regelmatig door Circassische leiders geschonken aan de Ottomanen. Deze vrouwen waren het populairst bij Turken en brachten het meeste geld op. Minder geld brachten de licht-getinte Syrische vrouwen op, met hun donkere ogen en donker haar, waarvan werd gezegd dat ze een goed figuur hadden als ze jong waren. Het goedkoopst en minst populair waren de zwarte Nubische meisjes, die bleven steken op een schamele 5% van de waarde van een Circassisch meisjes.

1811Jean-L--on_G--r--me_-_Le_charmeur_de_serpents.jpgCL_

Ook door devşirme verkregen jongens waren soms seksslaaf. Meestal werden ze tewerkgesteld in bad- of koffiehuizen, ze werden dan tellak of köçek (danser) voor zo lang ze jong baardloos bleven.

Bron XIII

Dankzij Europese inmenging in de 19e eeuw ondernam het Rijk pogingen om de slavenhandel te beknotten, die voordien onder Ottomaanse wet sinds het begin van het rijk als rechtsgeldig werd beschouwd. Eén van de belangrijke campagnes tegen de Ottomaanse slavernij en slavenhandel werd in de Kaukasus geïnitieerd door de Russische autoriteiten.

Een reeks wetten werd uitgevaardigd om eerst de slavernij van blanken en later die van alle rassen en religies te beperken. In 1830 vaardigde sultan Mahmut II een decreet uit die de vrijheid gaf aan blanke slaven. Onder hen bevonden zich Circassische slaven en Griekse slaven, die in 1821 in opstand waren gekomen tegen het Rijk.

Een andere decreet, dat de handel in Circassische kinderen afschafte, werd uitgevaardigd in oktober 1854. In 1858 werd een verbod ingesteld in het handelen in Zanj-slaven. Aan de positie van de bestaande Zanj-slaven veranderde echter niets.

Desondanks duurde de slavernij en de handel in slaven nog decennia voort, vooral ook omdat de naleving van de wetten niet werden ondersteund door een strafsysteem. Pas in 1871 bepaalde een richtlijn dat voor de beoefening van de handel in slaven één jaar gevangenisstraf kon worden opgelegd.

De laatste sultans wilden een einde maken aan de slavernij en gaven geen toestemming meer voor strooptochten om nieuwe slaven te vangen. Hoewel de sharia of islamitische wet slavernij toestaat, werd de slavenhandel in het Ottomaanse Rijk later uitdrukkelijk verboden door gebruik te maken van slimme technische mazen in de toepassing van de sharia. Zo gold als voorwaarde bij de nieuwe toepassing van de sharia dat iedereen niet als slaaf kon worden gehouden als de persoon voor zijn gevangenneming reeds moslim was. Ook kon iemand niet als slaaf worden gehouden als de gevangenneming niet voorafging aan een formele verklaring van de oorlog, die alleen kon worden afgegeven door de sultan. Het lot van bestaande slaven bleef echter vaak onveranderd.

Samen met 16 andere landen ondertekende het Ottomaanse Rijk het verdrag van de Brusselse anti-slavernij conferentie in 1890. Echter op lokaal niveau bleef slavernij clandestien bestaan tot in het begin van de 20e eeuw.

Bron XIV

‘Wie koopt een christen?’
De memoires van Europese slaven in islamitisch Noord-Afrika zijn lang afgedaan als ‘zielige verhalen’. In enkele gevallen is er zelfs opzichtig met cijfers gesjoemeld om het fenomeen te kunnen minimaliseren. Maar recente buitenlandse studies tonen aan dat de slavernij van christenen in ‘Barbarije’ geen marginaal verschijnsel was, en het lot van de slaven weinig benijdenswaardig.

De tocht van Cornelis Stout
Op de fatale ochtend van 9 november 1678 wordt Cornelis Stout door de bemanning van de Sint-Joris gewekt. ‘Hé luilak, je wilde toch een mooie zonsopgang zien? Kom op dan!’ Aan dek waait een zachte bries, die Cornelis in zijn linnen hemd doet huiveren. De ‘Spaansche Zee’ ligt er hier ter hoogte van de Portugese eilandengroep Berlingas bijna rimpelloos bij. In de verte, waar zich ergens het Iberisch vasteland moet bevinden, een wassende feloranje gloed. ‘Ick dan daarop boven in de mast geklommen, schepte vast vermaack in het sien opcomen van de son,’ noteert Stout jaren later in zijn memoires.

Het zijn de laatste onbewolkte herinneringen van de Schiedamse kuiper, die de economische malaise in de Republiek tracht te ontlopen door zich met zijn vrouw Christina en twee kleine kinderen in de nieuwe Zeeuwse kolonie Suriname te vestigen. Even later verschijnt loefwaarts een zeil. Nee, twee. En onder de wind nog drie, verdomme. ‘Dit veroorsaackte swaare gedaghte.’ Ze zien Engelse vlaggen wapperen op de tergend langzaam naderende schepen en hijsen zelf uit voorzorg de Franse vlag. Maar de achtervolgers wijken niet van hun koers.
Tegen de middag komt het eerste schip langszij. Het hijst de ‘Turckse vlagge’ en richt zijn boordkanonnen op de Sint-Joris. ‘Een kogel door onse boot waaijende, sloegh mijn daar ontrent staande de splinters om de ooren, een ander wierd door de fock gedreve.’ Er zit voor de bemanning van de Sint-Joris niets anders op dan zich over te geven. Cornelis spoedt zich benedendeks, op zoek naar zijn ‘beminde huijsvrouwe en twee onnosele kinderen’. Maar: ‘de hulp die ick haar doen konde, was evensooveel als die van een schaap aan sijn lammeren, wanneer het met deselve van een geheele kudde overvallen ten algemeen prooij wordt verslonden’.

De overvallers blijken kapers uit Algiers te zijn en Cornelis wordt met zijn gezin, de overige opvarenden en de rijke lading aan boord van het kapersschip de Kalbas gebracht. Daar worden ze van hun laatste persoonlijke bezittingen beroofd, tot hun kousen en schoenen aan toe. Een renegaat, een tot de islam bekeerde christen, slaat de mannen in de boeien. Cornelis omschrijft hem als een ‘wreed mensch voorsien met een touw vol knopen waarvan wij menighmaal proef kregen. Sijn slooten waren effe te wijt ofte te engh, vel en vlees scheurde hierdoor menighmaal en bleef aan het ijser kluijsterwerck hangen.’ De vrouwen en kinderen krijgen een plaats toegewezen bij de kanonnen op het dek. Bij ruw weer worden zij ‘met pekel nat. Uijt de slaap van boven en onder natgemaackt ontwaackt, waren stijff van nat en koude’.

Er worden nog vijf andere schepen buitgemaakt voordat de Kalbas terugkeert naar Algiers. Maar omdat vijandige Engelse schepen de toegang tot de haven versperren, moet er worden uitgeweken naar het concurrerende kapersnest Tunis. Daar wordt Cornelis op 31 december – de dag waarop hij op de kop af tien jaar getrouwd is – met zijn gezin naar de slavenmarkt gebracht. De handel is echter slap. Niemand wil het hele gezin kopen, en omdat de kapitein van de Kalbas heeft gezworen de familie niet op te splitsen en hij zijn woord houdt, keren ze op 4 januari terug aan boord. Slechts de koksjongen en een Amsterdamse ‘vrijstter’ hebben een koper gevonden.