DE ZOMER VAN 1914

“DE ZOMER VAN 1914”
bron: Vrij Nederland, 11 augustus 1984

Duitse ansicht met gezicht op Luik 1914

Zeventig jaar geleden ( let op ! dit artikel is uit 1984! ) brak de Eerste Wereldoorlog uit, min of meer per ongeluk. Er waren wel tegenstellingen tussen de grote mogendheden, maar die waren niet onoverkomelijk.

Frans Peeters beschrijft waarom het toch tot een wereldomvattend conflict kwam: wat er voorafging aan de oorlogsverklaringen, hoe het zo neutraal gelegen Nederland neutraal kon blijven en vooral hoe de Duitse opmars in de eerste weken van augustus 1914 gepaard ging met een orgie van geweld en vernietiging in België.

De Duitse oorlogsmachine was niet meer te stuiten, als ze eenmaal in gang was gezet, wat een Duitse diplomaat tot de uitroep bracht: “O, die arme stommelingen. Waarom gaan ze niet uit de weg voor de stoomwals. We willen ze niets doen, maar als ze ons in de weg staan, zullen ze in de grond worden gestampt.”

Het waren zonderlinge weddenschappen die op de middag van 4 augustus 1914 werden afgesloten op de hellingen van de Mescherberg, een heuvel vlak bij Eijsden. Was het nu Warsage, Moelingen of Berneau dat in brand stond?

Het panorama dat Het Luikerland de toeschouwers op de heuvel bood was vol rook en vlammen. Boerderijen, rijen iepen langs de grindwegen en zelfs hele bossen stonden in brand. Vlammen lekten uit de met koren gevulde graanschuren. Koeien renden in paniek door de velden.

De Maastrichtse schrijnwerker en socialist Michael Ubachs, ‘Geel’ voor zijn vrienden, schrijft hoe vrouwen als waanzinnigen de Nederlands-Belgische grens over vluchtten: “Een houdt een vest vast, waaruit een gouden horloge aan een ketting bengelt. “Arme Harrie, arme, arme Harrie”, gilt zij ineenkrimpend van smart, “ze hebben mijn Harrie doodgeschoten.””

De duizenden toeschouwers op de heuvel, voornamelijk Maastrichtenaren, konden zich door al die rook moeilijk oriënteren. In machteloze verbijstering over wat er zich voor hun ogen voltrok vroeg men zich af of dat brandende dorp niet Moelingen was, of Warsage, of Berneau. En stond ook niet Visé in brand?

Enkele dagen later bleken de weddenschappen niet te kunnen worden uitbetaald, bij gebrek aan winnaars. Want én Moelingen, én Berneau, én Warsage, én Visé bleken in brand te zijn gestoken.

Augustus 1914

Tussen al die brandende boerderijen en rokende bomen zagen de Nederlanders soldaten in feldgrau marcheren, duizenden grijze soldaten. Compagnie volgde op compagnie, soms onderbroken door een rijdende veldkeuken met brandende vuren en rokende schoorstenen, of door met paarden bespannen affuiten. Ook waren er rijdende schoenmakerswerkplaatsen, waar schoenmakers op zolen hamerden terwijl soldaten in een loopgang wachtten tot hun laarzen waren gerepareerd. Langs de colonnes zochten toeterende auto’s zich een weg. Er zaten officieren in met monocles en smetteloze uniformen. De soldaten zongen: “In der Heimat, in der Heimat, da gibt’s ein Wiedersehn” en “Heil dir im Siegerkranz” op de wijs van God save the queen.

Het dreigendst klonk het lied, dat al in vredestijd buitenlandse toehoorders koude rillingen had bezorgd:

“Deutschland, Deutschland, über alles, über alles in der Welt,

wenn es stets zu Schutz und Trutze brüderlich zusammen hält,

von der Maas bis an die Memel, von der Etsch bis an den Belt.

Deutschland, Deutschland, über alles, über alles in der Welt.“
De enorme kolonnes vormden nog slechts een voorhoede, de voorhoede van de grootste legerconcentratie die de wereld ooit had aanschouwd. Maar daarvan was geen van de toeschouwers op de Mescherberg zich nog bewust. Voor de bewoners van de Belgische grensstreek kwam het geweld als een donderslag bij heldere hemel, al hadden ze de voorafgaande dagen wel het gevoel gekregen dat er iets broeide. In de laatste week van juli waren er duizenden Duitse burgers de grens over gekomen, naar Gemmenich, Verviers, Gouvy en Vielsalm en overal hadden de Duitsers zoveel mogelijk levensmiddelen gehamsterd. De prijzen van meel, zout, suiker en koffie waren in de hele grensstreek fors gestegen.

Op 31 juli waren er gendarmes, politietroepen, in de streek verschenen. Zij begonnen onmiddellijk en onophoudelijk langs de Belgisch-Duitse grens te patrouilleren. Op diezelfde dag hadden douaniers huis-aan-huis nationale vlaggen gevorderd om er in de bossen de grens mee te markeren. Al dat zwart-geel-rood moest Duitse soldaten weerhouden van een ongewilde schending van Belgisch grondgebied.

In de volgende dagen steeg de spanning. Hartverscheurend was het afscheid van de gemobiliseerden die zich onveranderlijk westelijk van hun woonplaatsen moesten melden. Zouden de Duitsers binnenvallen dan zouden de aanvallers tussen de gemobiliseerden en hun ouders, vrouwen en kinderen komen te staan. Maar waarom zouden ze komen? De door vijf grote mogendheden, waaronder Duitsland, gegarandeerde Belgische neutraliteit had het land al meer dan tachtig jaar in vrede laten leven.

Op zaterdagavond 1 augustus kwamen er vreemde berichten uit het zuiden, uit Luxemburg, waarvan de neutraliteit eveneens dor Duitsland was gegarandeerd. Duitse soldaten zouden het stadje Troisvierges hebben bezet, waarschijnlijk per ongeluk, want na drie kwartier hadden ze zich weer teruggetrokken op hun eigen grondgebied. De volgende dag, zondag, werd er onder de kerkgangers opnieuw gesproken over een Duitse bezetting van het groothertogdom. Dit keer leek het opzet. De Duitsers bleven waar ze waren.

Diezelfde zondag werd er overal in de grensstreek een regeringsmededeling aangeplakt, waarin de bevolking werd aangespoord haar wapens in te leveren bij de autoriteiten. In de Ardennen was een jachtgeweer een even normaal gebruiksvoorwerp als een fornuis. In ieder huis trof je een geweer aan.

De regering waarschuwde dat wie door “een vijand” zou worden aangetroffen in het bezit van wapens zich zou blootstellen aan de doodstraf. Ook werd aanbevolen de vijand niet te beledigen: “Iedere aanleiding voor represaillemaatregelen, bloedvergieten, plunderen of afslachten van onschuldigen” moest worden vermeden. Tijdens een invasie kon men maar ’t best binnenshuis blijven. Men kan de opsteller van deze mededeling een zekere vooruitziendheid niet ontzeggen.

Op maandag 3 augustus maakte een Duits ultimatum een einde aan alle bange twijfels. Ongeacht alle eerdere garanties van de Belgische neutraliteit eiste Berlijn vrije doortocht voor de keizerlijke troepen. Eventuele schade zou na de Duitse overwinning op de Fransen worden vergoed. Het Belgische leger diende terzijde van de wegen te blijven staan om zo een ordelijke doortocht te garanderen.

De Belgische regering antwoordde met kalme beslistheid. Het was haar plicht, ook jegens de grote mogendheden, om de neutraliteit met alle middelen te verdedigen.

“O, die arme stommelingen”, kreunde ver weg in Berlijn een Duitse diplomaat. “Waarom gaan ze niet uit de weg voor de stoomwals? We willen ze niets doen, maar als ze ons in de weg staan zullen ze in de grond worden gestampt. O, die arme stommelingen.”

Alle middelen die België die dinsdag beschikbaar had bij Gemmenich, een paar honderd meter ten zuiden van de Nederlandse grens, bestonden uit een handjevol gendarmes. Zij deden wat van hen werd verwacht. Na een korte schotenwisseling gaven ze de ongelijke strijd op. Hun tegenstanders, Duitse ruiters, trokken kalm verder in de richting van de Maas. Hun route voerde zo dicht mogelijk langs de Nederlandse grens om buiten het bereik van de geduchte kanonnen van de Luikse fortenring te blijven.

Uhlanen

De Duitse ruiters zagen eruit als onvervalste ridders: mannen te paard, beschermd door metalen borstplaten en zilveren helmen die met een grijze hoed waren gecamoufleerd. Anderen droegen zwarte bontmutsen, versierd met een metalen doodshoofd. Deden hun pistolen en geweren modern aan, de sabels en lansen die ze meesleepten vormden een regelrecht anachronisme. Uhlanen noemden de Duitsers deze cavalerie met een van oorsprong Aziatisch woord dat via de Turks-Poolse oorlogen Pruisen had bereikt.
Zou die dravende ijzerwinkel op de mitrailleurs van de Belgische infanterie zijn gestoten – hetgeen acht dagen later bij Haelen, veel dieper het land in, ook daadwerkelijk gebeurde- dan zouden ze gedecimeerd zijn. Maar aan de grens bevond zich geen infanterie.

Tegen de middag bereikten de Uhlanen al Warsage, ten zuiden van het Nederlandse dorp Sint Geertruid en nog geen vier kilometer van de Maas. Op het dorpsplein werden ze opgewacht door de bejaarde burgemeester Fléchet, die naar ’s lands gewoonte een zwart-geel-rode ambtssjerp om zijn middel had gebonden. Fléchet kreeg van de eskadronscommandant van de Uhlanen een proclamatie in het Frans, waarin het heette dat Duitsland tot zijn spijt België had moeten binnenvallen. “Vernietiging van bruggen, tunnels en spoorwegen zal worden beschouwd als een vijandelijke daad.”

De burgemeester antwoordde dat geen van de dorpelingen zulke vernielingen van plan was aan te richten, nog afgezien van de vraag of ook maar iemand in Warsage daartoe in staat zou zijn. De Uhlanencommandant groette beleefd, liet een detachement achter en vertrok verder naar Visé.

Aan de andere kant van de Belgisch-Nederlandse grens begon de aanvankelijke angst voor een Duitse inval plaats te maken voor nieuwsgierigheid. Drommen mensen trokken maar Mesch, een buurdorp van Eijsden. De honderd meter hoge Mescherberg bood een uitstekend zicht op de Duitse opmars. Aan het eind van de middag was de helling volgestroomd met duizenden mensen, die verbijsterd waren door het vuur en de rook dat ze zagen.

Wat was er veranderd in die anders zo vredige streek ten zuiden van Zuid-Limburg? Wat bewoog de Duitsers om Warsage te brandschatten, enkele uren nadat zij er zich zo correct hadden gedragen?

“Man hat geschossen”, was de uitleg die de Duitsers van hoog tot laag uitentreuren zouden blijven herhalen. Burgers zouden zich na de overgave van hun dorp hebben verstopt. Vanuit hinderlagen hadden ze met hun jachtgeweren op Duitsers geschoten, in strijd met de Haagse Conventie. Zulke praktijken dienden onmiddellijk de kop ingedrukt.

Franc-tireurs noemden de Duitsers de burgers die op hen zouden hebben geschoten. Het begrip stamde uit de Frans-Duitse oorlog van 1870-’71 toen er, zelfs na de officiële Franse capitulatie inderdaad nog guerrillapraktijken hadden plaatsgevonden.

Maar de Belgische grensbewoners waren geen franc-tireurs. Zij hielden zich strikt aan de aanbevelingen van hun regering. Overal waren grote hoeveelheden jachtgeweren naar de gemeentehuizen gebracht. In de zeventig jaar die sedert de vierde augustus 1914 zijn verlopen is er nimmer ook maar een spoor van bewijs gevonden voor de Duitse bewering dat Belgische burgers op Duitse soldaten zouden hebben geschoten.

Wie heeft er dan wel op de Duitse ruiters geschoten? Het antwoord is tweeledig: Belgische soldaten én, later op de dag in de verwarring van schemer en duisternis, Uhlanen op elkaar.

De Uhlanen hadden de dag voor de aanval van hun meerderen in Aken te horen gekregen dat behoudens een ceremoniële schotenwisseling aan de grens, Belgische soldaten niet op hen zouden schieten. Hun belangrijkste taak zou bestaan uit het vorderen van voedsel en het uitdelen van proclamaties. In de eerste uren na de grensoverschrijding gebeurde er niets dat die bewering tegensprak.

Maar hoe dichter zij de Maas naderden, hoe vaker zij op Belgische legerpatrouilles stuitten, die hen vanuit hinderlagen beschoten.

Nu was in het keizerlijke leger het woord van een officier onaantastbaar. Als een Duitse officier beweerde dat de Belgische soldaten niet op Duitse troepen zouden schieten, dan konden de schoten die Uhlanen hadden gedood en gewond niet van Belgische soldaten afkomstig zijn en dus hadden burgers op hen geschoten. En zo kwam het dat de Duitse ruiters op hun vuurdoop reageerden met de kreet: “Sluipschutters!”

De Duitse wraak was huiveringwekkend, zelfs voor ons die weten wat er later, in de Tweede Wereldoorlog, is gebeurd. In Wassage werden zes gijzelaars gefusilleerd. Daarna hebben de Duitsers het dorp gebrandschat. Het “werd volkomen leeggeroofd en verbrand”, schrijft een Duitse officier die er enkele dagen later doorheen kwam. “Door de ramen zonder kozijnen zag men in de kamers verbrande resten van ijzeren ledikanten en ander meubilair. Kapot getrapt keukengerei lag in de straten. Er liepen nog wat zoekende honden katten rond maar verder was alle leven door het vuur vernietigd. Op het dorpsplein stond de kerk, dakloos en zonder spits.”

In Moelingen, waar drie Uhlanen zouden zijn doodgeschoten, “stond het hele dorp in brand, het vee loeide wanhopig in de stallen, halfverbrande kippen vlogen als dol heen en weer en twee mannen in boerenkleren lagen dood tegen een muur”, schreef de eerder geciteerde officier.

In Berneau, dat eveneens in brand was gestoken, werd verscheidene inwoners, die in hun kelders lagen het vluchten belet. Alleen gewonden leverden de Duitsers over aan het Nederlandse Rode Kruis, en dan nog bij mondjesmaat. De andere inwoners werden gedwongen om in hun verwoeste dorp te blijven. Dat zou de franc-tireurs leren!

Pas na twee eindeloze dagen kregen ze verlof om naar Nederland te gaan. Het was een treurige stoet die donderdag 6 augustus onder leiding van de pastoor van Berneau het Nederlandse Wylre bereikte. Hun dorp, vertelden ze, was geheel verlaten. Veel inwoners waren gedood.

In Zuid-Limburg kwam de hulpverlening op gang. Vluchtelingen werden zo goed en zo kwaad als het ging opgevangen en van voedsel voorzien. De graaf De Geloes stelde zijn kasteel in Eisden ter beschikking van het Rode Kruis en in Maastricht deden autobezitters hetzelfde met hun vervoermiddel. Veel jonge vrouwen meldden zich als verpleegster. En de smokkel via ondergrondse gangen in de Sint Pietersberg maakte zich op voor een periode van ongekende bloei.

Duitse soldaten aan de Maas bij Visé

Die avond bereikten de Duitsers Visé. De Maasbrug was opgeblazen door de Belgen en de pontonbruggen die de Duitse genie onophoudelijk aanlegde werden tot vier keer toe vernield door Belgisch geschut. Toen trokken Uhlanen te paard door het zomerbed van de Maas en dwongen de Belgische artillerie zich terug te trekken. De vijfde pontonbrug kon worden gebruikt. De Duitsers konden de Luikse fortenring nu ook vanuit het noorden belegeren.

In Visé werden maar enkele huizen opgeblazen of in brand geschoten. Moordpartijen bleven uit. De stad leek er relatief goed vanaf te zijn gekomen.

Waarom konden al die duizenden Nederlanders op de Mescherberg zich ongestoord verbazen over de oorlogshandelingen, zonder angst voor Duitse kolonnes achter hun rug? Waarom stelde het Duitse opperbevel zich ermee tevreden de troepenmassa’s samen te persen op enkele grindwegen langs de Belgisch-Nederlandse grens en werd geen gebruik gemaakt van de Zuidlimburgse wegen? Kortom, waarom viel Duitsland in 1914 Nederland niet binnen?

Het Nederlands leger was paraat

In feite is Nederland door het oog van de naald gekropen, niet in 1914 toen de Duitsers daadwerkelijk in het westen aanvielen, maar in 1909, toen de Duitse generale staf een doortocht door Nederland uit het aanvalsplan schrapte. Maar ook na 1909 bleef de Nederlandse positie een centrale rol spelen. Om die positie goed te begrijpen is het nodig om hier stil te staan bij het Duitse aanvalsplan.

Dat plan was ontworpen door een theoreticus, graaf Alfed von Schlieffen, niet door een generaal met praktijkervaring. Het Duitse Rijk, waarvoor hij het plan ontwierp, was door zijn geografische ligging de enige grote mogendheid die twee potentiële vijanden als buur had. Die twee, Frankrijk en Rusland, waren bovendien elkaars bondgenoten. Het Duitse opperbevel moest in zijn plannenmakerij dus rekening houden met het ergste geval: een tweefrontenoorlog tegen Frankrijk en Rusland.

Er bestond bij de Duitse generale staf een plan voor een tweefrontenoorlog. Daarin werd voorgesteld om langs de gemeenschappelijke Frans-Duitse grens in Elzas-Lotharingen een linie van fortificaties aan te leggen, waar Duitse troepen verdedigende posities konden innemen. Dat zou de hoofdmacht in staat stellen zich tegen de Russen te keren.

Schlieffen verwierp die aanpak om een voor de hand liggende reden: een Duits leger, hoe omvangrijk ook, zou nooit in staat zijn de Russen een snelle, beslissende nederlaag toe te brengen. De Russen zouden zich eenvoudigweg terugtrekken in hun enorme ruimte, in afwachting van de komst van hun twee oude bondgenoten, generaal Modder en generaal Winter. Tegen dat verbond had zelfs Napoleon het loodje gelegd. In de tussentijd zouden de Fransen door de westelijke frontlinie kunnen breken, waarmee de Duitse nederlaag een feit was.


“Schlieffen stelde dus voor eerst af te rekenen in het westen”, schrijft A.J.P. Taylor. “Als Frankrijk was verslagen konden de Duitsers zich met hun volle macht op Rusland werpen. Maar hij kwam al spoedig tot de overtuiging dat de muur van forten, die de Fransen op hun beurt aan de grens met Duitsland hadden gebouwd, te sterk was om snel te worden doorbroken, en dat de Duitsers in tijdnood zouden raken als de Russen massaal oprukten. Er zou dus ten noorden van de versterkte Franse linie een doorbraak moeten geforceerd.” Schlieffen koos voor een omtrekkende beweging via Luxemburg, België én Nederland.

De beweging moest worden uitgevoerd door de enorme Duitse rechtervleugel, bestaande uit vier legers. Het meest noordelijke Eerste Leger moest, lopend wel te verstaan, via Roermond en Antwerpen naar de Belgische kust doorstoten en vandaar langs de zee verder naar het zuiden trekken. “De rechterman op de rechtervleugel moet met zijn rechtermouw langs het Kanaal vegen”, verordonneerde de strateeg. Pas nadat bij Rouen de Seine was overgestoken zou men, nog steeds te voet, landinwaarts trekken langs de zuidkant van Parijs om bij Reims en Chalons op de Fransen te stuiten. Dat het fysiek onmogelijk was om zulke afstanden in opeenvolgende geforceerde dagmarsen af te leggen, realiseerde de huiskamergeleerde zich niet.

Wel had hij rekening gehouden met het Franse leger dat verondersteld werd de enorme opmars achter zijn rug ongestoord te laten plaatsvinden. De Fransen zouden bij het begin van een oorlog de verloren provincies Elzas en Lotharingen meteen willen bevrijden, dacht Schlieffen terecht. Daarom had hij de Duitse linkervleugel opzettelijk verzwakt. Die moest de Fransen in de “zak” tussen Metz en de Vogezen lokken en ze daar voor de duur van de Duitse veldtocht vasthouden. Uiteindelijk zouden de Fransen dan tussen de Duitse rechter- en linkervleugel worden vermorzeld. Daarna kon het hele leger, afgezien van wat bezettingstroepen, per trein naar het oosten worden vervoerd om er met de Russen af te rekenen.

Schlieffens veldtocht moest zich via een strak tijdschema voltrekken. Op de tweeënveertigste dag na het begin van de oorlog dienden de Fransen verslagen te zijn, want zo lang zou het, volgens Schlieffen, duren voordat de Russen hun mobilisatie hadden voltooid.

Het plan had alleen kans van slagen als de lange Duitse verbindingslijnen niet werden afgesneden. Een Nederlands leger dat zich achter de Waterlinie had teruggetrokken, kon na het passeren van de Duitse hoofdmacht door Limburg en België, de Duitse verbindingslijnen met uitvallen bedreigen. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was voor de Duitse legers weliswaar geen onneembare sterkte, maar ook niet zo gemakkelijk te passeren als in 1940. Toen zette Hitler parachutisten in en toen dat niet hielp liet hij Rotterdam platgooien. In 1914 stelden luchtbombardementen weinig tot niets voor en parachutisten bestonden niet. Daar kwam nog bij, zegt de Nederlandse militaire historicus, dr. Ph.M. Boscher, dat het Nederlandse veldleger in 1914 aanmerkelijk sterker was dan in ’40. “In ’40 beschikte de landmacht grotendeels over dezelfde bewapening als in ’14. Die was bij het begin van de Eerste Wereldoorlog dus veel moderner.”

De Waterlinie was voor de Duitsers zeker niet onneembaar, maar het ontbrak hun eenvoudig aan tijd om deze Vesting Holland op hun rechterflank te bezetten. Toch maakte Schlieffen zich geen enkele zorg over een bedreiging van zijn verbindingen door het Nederlandse leger. Hij was er vast overtuigd dat Nederland ook na een Duitse doortocht door Limburg volkomen passief zou blijven.

Hoe kwam Schlieffen aan die verbazingwekkende opvatting? Waarom dacht hij dat Nederland zijn sedert 1839 zo hardnekkig gevoerde politiek van strikte neutraliteit zou opgeven en een niet-strijdende bondgenoot van Duitsland zou worden?

“Schlieffens veldtochtplan werd opgesteld in 1905”, schrijft de historicus mr. A.S. de Leeuw, die een studie aan de Duitse plannen heeft gewijd. “Het spreekt vanzelf dat hij over de politieke en diplomatieke situatie goed was ingelicht en ook dat de Duitse regering van zijn krijgsplan op de hoogte werd gesteld, zoals de toenmalige Duitse rijkskanselier Von Bülow nadrukkelijk bevestigt. Schlieffen heeft dus gehandeld op grond van zijn kennis van de politiek, de handelingen en de stemmingen van de Nederlandse regering in die tijd – en die regering was het kabinet-Kuyper.”

Met Kuyper hadden de christelijke partijen hun entree gemaakt in de Nederlandse regering – en daarmee kwam er een element van irrationalisme in de Nederlandse buitenlandse politiek. Het was al begonnen met de Boerenoorlog. De stamverwante gereformeerde Boeren wisten in Nederland groot enthousiasme te wekken en Kuyper kanaliseerde die gevoelens in een anti-Engelse politiek. Nu was Nederland natuurlijk geen partij voor Engeland en dus bleef het bij veel mooie woorden. Uiteindelijk werden de Britten het beu en ze dwongen Kuyper een judasrol te spelen. Uitgerekend hij moest de Boeren overhalen te capituleren. Een wat terughoudender regering had zeker niet zo diep in het stof hoeven buigen.

Ook Frankrijk, Engelands bondgenoot, deed Kuyper walgen. In Frankrijk gebeurden allerlei zaken waarvan de christenen meenden te weten dat de Heere ervan gruwelde. Er werd gedanst, de vrouwen toonden in het openbaar hun enkels en het christelijk onderwijs werd niet gesubsidieerd.

Kuypers hart ging uit naar het door hem christelijk geachte Duitsland en het door het Vaticaan gekoesterde Oostenrijk-Hongarije, de twee met elkaar verbonden Centraaleuropese rijken wier militarisme blijkbaar weinig indruk maakte op Abraham de Geweldige.

Zijn pro-Duitse gezindheid was zo algemeen bekend dat de auteurs van een “Geschiedenis van de anti-revolutionaire partij” nog in 1949 niet eens de moeite namen om zijn pro-Duitse houding nader te verklaren. Zij meenden met een eenvoudige vaststelling te kunnen volstaan.

In 1904 bezocht Kuyper als Nederlands premier Wenen en Berlijn en vooral in die laatste hoofdstad was men opgetogen. Er gingen zelfs geruchten, dat hij Nederland wilde laten toetreden tot het Duits-Oostenrijkse bondgenootschap. In Nederlandse en buitenlandse kranten werd er openlijk over gespeculeerd. De geruchten waren niet helemaal van waarheid ontbloot, in Nederlandse regeringskring was een bondgenootschap met de oostelijke buur in die dagen in ieder geval bespreekbaar.

Kuyper zelf schrijft dat koningin Wilhelmina hem tijdens de internationale crisis van 1904-’05 vertelde, dat bij haar bericht was ingekomen dat de bestaande spanning tot een oorlog tussen Frankrijk en Duitsland zou kunnen leiden, en dat Nederland in dat geval binnen 12 a 24 uur moest beslissen wat de houding ten opzichte van Duitsland zou zijn. Hij vermoedde dat het bericht afkomstig was van het Duitse hof waarmee Wilhelmina hartelijke betrekkingen onderhield.

Op het dossier over die periode van spanning, dat blijkbaar bestemd was voor de ministerraad, staat het intrigerende woord “Alliantie”. Zo’n alliantie, een bondgenootschap met Duitsland, werd in Den Haag de moeite van het overwegen waard geacht, getuige een nota van Wilhelmina aan Kuyper, waarin zij aangaande Duitsland concludeerde: “Het schijnt dus raadzaam voorlopig geen bondgenootschap te sluiten en daarmee te wachten tot wij er door de nood toe gedwongen worden.” De nota is gedateerd 28 april 1905.

Tijdens de regering-Kuyper is dus een bondgenootschap met Duitsland overwogen. Bovendien had Kuyper zich tijdens zijn bezoek aan Berlijn zeer tegemoetkomend gedragen.

Schlieffen concludeerde uit die sfeer van welwillendheid en toenadering dat het Nederlandse leger passief zou blijven bij een Duitse doortocht door Nederland. Het was in het perspectief van een mogelijk Duits-Nederlands bondgenootschap nog een tamelijk voorzichtige opvatting.

Een bondgenootschap met Duitsland is er niet van gekomen, maar Kuyper had het overwogen en, nog erger voor een neutraal land, de buitenwacht had weet gekregen van zijn overwegingen.

Daarmee had de anti-revolutionaire leider zijn kaart overspeeld, hij moest tot aftreden worden gedwongen. In Nederland gebeurde zo iets nooit na een debat over de zaak zelf, maar via de openbaarmaking van een misstap. In Kuypers geval werd het de “lintjesaffaire”. Hij had de echtgenoot van een van zijn vriendinnen een onderscheiding bezorgd, terwijl de man achteraf niet bleek te deugen. De goegemeente huiverde zoals verwacht en Kuyper werd als minister onmogelijk. Hij was in de kuil gevallen die hij zelf had gegraven. Het moralisme waarmee hij de maatschappij had willen doordringen, had hem uiteindelijk de das omgedaan.

Na Kuypers vertrek keerde Nederland weer terug naar de angstvallige neutraliteitspolitiek, een gegeven waarvan ook de Duitse diplomatie kon worden overtuigd. Bij een Duitse doortocht door Limburg zou het veldleger niet langer passief toezien. Daarom schrapte Schlieffens opvolger, Von Moltke, de doortocht door Limburg uit het aanvalsplan.

“Ik heb het gewijzigd”, schrijft hij, “om niet ook Nederland aan de zijde van onze vijanden te dringen, en ik heb liever de grote technische moeilijkheden op mij genomen die veroorzaakt werden doordat de rechtervleugel van ons leger door de nauwe ruimte tussen Aken en de zuidgrens van de provincie Limburg heen moest dringen.” Dat was de reden waarom de duizenden op de Mescherberg zich veilig konden voelen.

Moltkes besluit om in geval van oorlog met Frankrijk geen Nederlands gebied te schenden heeft verstrekkende gevolgen gehad, want daarmee gaven de Duitsers niet alleen veel operationele, maar nog meer politieke speelruimte prijs. Vóór de Duitse aanval moesten alle vier de legers van de reusachtige rechtervleugel aan de Belgisch-Duitse grens worden gemobiliseerd.

Duitse troepen in Belgie

Het ging om meer dan achthonderdduizend man met hun uitrusting, hun bewapening en hun bevoorrading. In het begin van de eeuw was de spoorweg het enige middel om zulke enorme concentraties snel te vervoeren. Het Duitse mobilisatieplan zag er dan ook uit als een spoorboekje. Duizenden treinen met mensen en materieel gleden volgens een starre dienstregeling over hun baanvak met tussenruimtes van tien minuten. Hun doel was de grens.

De moeilijkheid was dat er maar één behoorlijk spoorwegknooppunt bestond aan de Duitse kant van die grens: Aken. De emplacementen bij de stad waren wel systematisch uitgebreid, maar het bleef onmogelijk om de duizenden treinen in enkele dagen te verwerken. De afzonderlijke legers konden dus niet in Aken worden gemobiliseerd om er de oorlogsverklaring af te wachten. Het Eerste Leger moest gearriveerd zijn en Aken al weer hebben verlaten, voor het Tweede Leger zou aankomen, et cetera. Voor al die opeenvolgende legers was er maar één weg uit Aken: de Belgische grens over.

Daardoor waren de Duitsers niet langer in staat tot een niets verplichtende mobilisatie, gevolgd door een demobilisatie, wat alle andere mogendheden wel konden. Als de Duitsers eenmaal zouden mobiliseren, dan volgde daarop automatisch na twee of drie dagen de inval in België. Een Duitse mobilisatie stond gelijk met het begin van een grote Europese oorlog, want de Belgische neutraliteit was door de andere grote mogendheden gegarandeerd.

Hadden de Duitsers de doortocht door Nederland niet uit hun plan geschrapt, dan zouden de vier legers over een veel grotere ruimte kunnen zijn ontplooid, en niet alleen via Aken, maar ook via Mönchen-Gladbach, Krefeld en Düsseldorf zijn aangevoerd. Ze hadden aan de grens geconcentreerd kunnen blijven en daarmee de diplomatie meer tijd gegeven om een oorlog te vermijden. Vervolgens zouden ze eventueel weer gedemobiliseerd kunnen worden.

Door vast te houden aan het Schlieffenplan zonder Nederlands grondgebied te schenden, werd iedere Duitse regering in het geval van mobilisatie van een potentiële tegenstander voor een afschuwelijk dilemma gesteld: moest men de dreiging niet beantwoorden en afwachten en daarmee de tegenstander een voorsprong gunnen? Of moest men zelf mobiliseren en dus een oorlog beginnen?

En daarmee is de ijzeren logica van Schlieffen nog niet uitgeput. Want zou Duitsland mobiliseren, dan begon de oorlog onvermijdelijk in België – ook als het Duitse besluit om te mobiliseren een reactie was op een Russische mobilisatie. Zo kon het plan-Schlieffen, dat was ontworpen om aan een tweefrontenoorlog het hoofd te bieden, zelf een tweefrontenoorlog veroorzaken. Reageerde Duitsland met een mobilisatie op een dreiging in het oosten, dan begon het een oorlog in het westen. Het scenario lag muurvast.

De gebeurtenissen in augustus 1914 hebben zich dan ook exact via dit scenario voltrokken. Een maand na de moord op de Oostenrijkse troonopvolger in Sarajevo verklaarde Oostenrijk Servië de oorlog. De Russen wilden de Serviërs helpen en mobiliseerden om Oostenrijkse troepen te binden.

Duitsland, Frankrijk, België en Engeland hadden met het incident niets te maken en toch waren zij binnen enkele dagen met elkaar in oorlog, omdat de Duitse diplomaten geen enkele kans kregen het conflict beperkt te houden.

Want Berlijn eiste op hoge poten de intrekking van het Russische mobilisatiebesluit. Toen de Russen die eis negeerden, mobiliseerde Duitsland en verklaarde de oorlog aan Rusland. Aan de Russisch-Duitse grens bleef het voorlopig rustig, maar drie dagen later overschreden Duitse troepen de Belgische grens op weg naar Frankrijk. Een mobilisatie tegen het oosten, betekende oorlog in het westen.

Alle oorlogsverklaringen, behalve die van Oostenrijk aan Servië, gingen van Duitsland uit. Dat ontsloeg Italië, een Duitse bondgenoot, van de plicht om mee te doen. Het hoefde Duitsland alleen bij te staan als dat land werd aangevallen, niet als het zelf aanviel. Zo verloor Duitsland door zijn diplomatieke onhandigheid een van zijn weinige potentiële bondgenoten.

Door de inval in België voegde Duitsland, om het nog erger te maken, een vijand toe aan zijn toch al indrukwekkende verzameling: Engeland, dat wegens de schending van de Belgische neutraliteit Duitsland de oorlog verklaarde.

In de augustusdagen van 1914 vermeed de Nederlandse regering angstvallig iedere actie die de neutraliteit in gevaar kon brengen. Verplichtingen werden vergeten en ook een leugentje-om-bestwil was geoorloofd.

Nederland was in die tijd nog steeds medegarant van de Luxemburgse neutraliteit, die nu door Duitsland was geschonden. “Maar men heeft daar in de verwarring van die eerste oorlogsdagen niet aan gedacht of niet aan herinnerd willen worden”, zegt Romein. “Integendeel, er ging een seintje vanuit Den Haag naar de bladen –de eerste regeringsbemoeienis met de Nederlandse pers naar het schijnt- om daarvan niets te zeggen.”

Een, zij het minuscule, schending van het Nederlandse grondgebied door de Duitse aanvallers werd door de vingers gezien. Duitse eenheden hadden namelijk de grindweg aan de voet van de Mescherberg gebruikt en deze weg, die van Moelingen naar de Maas voerde, was volgens de Nederlands-Belgische grensovereenkomst tussen de grenspalen 42 en 44 gemeenschappelijk bezit van beide landen.

Die schending van Nederlands gebied, hoe gering ook, raakte al snel bekend, mogelijk omdat zij zich onder het oog van duizenden toeschouwers had afgespeeld. In het op 8 augustus gedateerde Franse weekblad L’illustration stond een kaart van het gebied tussen Aken en Eisden met daarop exact aangegeven het stukje weg dat door de Duitsers was gebruikt. Maar de bewering van L’illustration werd door de Nederlandse kranten op gezag van de geschrokken regering in Den Haag verontwaardigd van de hand gewezen. “Deze voorstelling van zaken is leugenachtig”, schreef het socialistische dagblad Het Volk. “Geen enkel Duitsch korps heeft de Nederlandse grens overschreden. Zij is gevaarlijk voor Nederland’s goeden naam; zij geeft voedsel aan het praatje dat ons land zijn neutraliteit niet strikt gehandhaafd heeft.”

Al op de tweede dag van de invasie, 5 augustus 1914, wemelden de Ardennen van de Uhlanen. Ze leken overal vandaan te komen: uit bossen en steengroeven, vanachter heuvels en rotsen. En ze maakten snelle vorderingen. Op die vijfde augustus waren ze doorgedrongen tot op zestig kilometer van de Belgisch-Duitse grens. In Humain dachten de dorpelingen aanvankelijk dat het Engelsen waren: Belgen of Fransen waren ’t niet, dat konden ze wel horen, en Duitsers konden ‘t niet zijn, zo ver van de grens. Een dag later werden ze al gesignaleerd in Foy-Notre-Dame, op zeven kilometer van Dinant. En overal werden ze gevolgd door lange kolonnes marcherende infanterie.

Op zeven augustus maakten de Uhlanen hun eerste slachtoffer in deze streken. Het was de twintigjarige Joseph Soyeur die in de bossen bij Jenneret werd gevonden. Hij was afgemaakt met een lans, zo viel op te maken uit de diepe wond in zijn nek en een perforatie onder een oog. De lans was letterlijk door zijn hoofd gestoken. De grond rondom het stoffelijk overschot vertoonde talloze sporen van paardehoeven.

Eveneens op zeven augustus vond het eerste treffen plaats tussen Duitse en Franse cavalerie, in de buurt van Bastogne. De Fransen vertoonden zich in het open veld en werden door hun vijanden vanuit het bos beschoten. Twee van hen, Pierre Legentilhomme en Michel Ride, vonden bij dat treffende dood. Zij zijn waarschijnlijk de eerste Franse soldaten die in de Eerste Wereldoorlog in België zijn gesneuveld.

Het bleef in de Ardennen overigens bij enkele schermutselingen. De Fransen probeerden hier niet door te stoten. Ze beschouwden de Maas en de Sambre als hun voorste linies. Hun grote aanval was gericht op de Elzas en vooral op Lotharingen, in het zuiden, waar Franse stormtroepen zich een weg hakten tussen Metz en de Vogezen, precies de “zak” in die Schlieffen voor hen had bestemd. Een voorname taak van de Uhlanen was de achter hen marcherende infanterie aan het gezicht van Franse verkenners te onttrekken, opdat de verrassing van een aanval in Noord- in plaats van in Oost-Frankrijk zo groot mogelijk zou zijn.

Huns werden de Duitse ruiters door de Engelsen genoemd. Waar die naam exact vandaan komt is niet bekend, maar wel staat vast dat het de Duitse keizer Wilhelm II zelf was, die zijn soldaten voor het eerst in verband bracht met die Aziatische woestelingen. Toen tijdens de zogeheten Bokseropstand de Duitse gezant in Peking werd vermoord, deed Wilhelm Duitse troepen die scheep zouden gaan naar China uitgeleide met een toespraak die later als de Hunnenrede de geschiedenis is ingegaan: “Pardon kennen we niet”, decreteerde de Allerhöchste, “gevangenen worden niet gemaakt. Zoals de Hunnen duizend jaar geleden naam maakten onder koning Atilla, zo moeten de Chinezen zich over duizend jaar nog de Duitsers herinneren. Nooit meer zal een Chinees een Duitser ook maar scheel kunnen aanzien.” Zijne Majesteit maakte van de gelegenheid bovendien gebruik om de Chinezen af te schilderen als “gele beesten”.

Hunnen was een uitdrukking die Duitse ruiters treffend typeerde, niet alleen vanwege hun martiale uiterlijk of de Aziatische klank van het woord Uhlan. In het overzicht van wat er zich in die eerste oorlogsdagen afspeelde in de twee dunst bevolkte arrondissementen van België, Marche en Bastogne in het noorden van de provincie Luxemburg, tellen we 132 in brand gestoken huizen en 131 naar Duitsland gedeporteerde burgers. In Ortho werden twee mensen vermoord, in Sibret een, in Rossieres zes, in Champlon een, in Cobreville een, in Ourth twee, in Grandmenil een, in Barvaux-sur-Ourthe een, in Briscol tien, in Somme-Leuze elf, in Hargimont twee, in Manhay drie en in Jenneret een. Het zijn zonder uitzondering Waalse plaatsjes waarvan nog nooit iemand had (en heeft) gehoord. Het zijn gehuchten, bestaande uit soms maar enkele huizen, waar iedereen iedereen kent. Alleen al door die omstandigheid moeten de moordpartijen een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten bij de hulpeloze dorpelingen.

Van een militaire reden voor de moorden, de brandschattingen en de deportaties was geen sprake. Er waren geen vijandelijke troepen in deze streek, afgezien van een sporadische Franse of Belgische patrouille die zich bij nadering van de Uhlaneneskadrons snel terugtrok. Wat er gebeurde was Duits militair gedrag volgens het boekje.

Het boekje heette Kriegsgebrauch in Landkriege en was een handboek waarin de Duitse generale staf had gedecreteerd hoe Duitse troepen zich in vijandelijk gebied moesten gedragen. “Zonder omzichtigheid de noodzakelijke maatregelen treffen ter verdediging en ter intimidatie is niet alleen een recht maar ook een plicht voor iedere legeraanvoerder.” Zo staat het op pagina 115 van het handboek. Twee passages in die volzin vallen direct op, allereerst, natuurlijk, de woorden “ter intimidatie”, maar ook dat die intimidatie werd opgedragen aan legeraanvoerders, aan hoge officieren dus. Alle legers maken zich in oorlogstijd schuldig aan beestachtigheden jegens de burgerbevolking, maar hier wordt officieren uitdrukkelijk opgedragen zulke beestachtigheden te organiseren.

Dinant verwoest en bevolking vermoord 1914

En voor wie die opdracht er niettemin niet in zou lezen, had generaal von Hartmann van de Duitse generale staf de volgende boodschap: “Afzonderlijke personen kunnen hard worden getroffen als wij hen uitkiezen als waarschuwend voorbeeld. Voor die mensen is het vast en zeker ellendig. Maar voor de gemeenschap is ’t een heilzame weldaad dat zulke gestrengheid wordt toegepast tegen die afschuwelijke personen. Als de nationale oorlog is begonnen, wordt terrorisme een noodzakelijk militair principe.”

De Duitsers hielden zich strikt aan wat hun handboek voorschreef. Hun terreur voltrok zich steeds volgens hetzelfde procédé. Werd er een schot gehoord, dan volgde onmiddellijk het gijzelen, fusilleren, deporteren en brandschatten.

In Briscol maakte een Duitse officier-veearts van het vijfennegentigste regiment een paard af met een geweerschot. Andere Duitsers raakten door het schot in paniek. De bejaarde burgemeester, Philippe Delneuville, werd opgepakt en naar Sankt Vith gedeporteerd, over de grens. Twee dagen later is hij overleden als gevolg van de ontberingen en de emoties. In zijn dorp waren op dat moment tien inwoners gefusilleerd.

In de achtentwintig huizen van het gehucht Rossieres was het achtste regiment dragonders ondergebracht. Plotseling klonk een schot: een dronken Duitser schoot vanuit een raam op het huis aan de overkant. Op weg naar Rossieres hadden de Duitsers enkele cafés geplunderd.

Het schot werd onmiddellijk beantwoord door een schildwacht. Gealarmeerd door het lawaai begonnen zeven soldaten die gelegerd lagen in het huis waarop hun dronken kameraad had geschoten, terug te schieten. Een van de kogels trof een Duitse officier, de luitenant baron Von Richthofen, die juist een ommetje maakte. Von Richthofen overleed de volgende dag aan zijn verwondingen.

Zonder na te gaan hoe de schietpartij was ontstaan, traden de Duitsers tegen de bevolking op. Systematisch werden alle huizen in brand gestoken, om te beginnen dat van Matthieu Laloi. Diens zoon, Joseph, 24, werd op de drempel van zijn huis doodgeschoten.

Intussen kwam in de dorpsstraat waar de Duitsers op elkaar hadden geschoten een boerenknecht aankuieren. Hij had zojuist het vee naar de wei gebracht. Het was Jean-Baptiste Colleau, 52, een beetje achterlijk maar verder een prima kerel. Hij was knecht op de boerderij van Jean Remience en diens drie zonen. Zoals wel vaker liep Colleau in zich zelf te babbelen toen de Duitsers hem aanhielden.

Voordat hij iets kon uitleggen schoten ze op ‘m. Hij bloedde hevig maar kon op zijn benen blijven staan. Bij de boerderij, even verderop in de straat, zag hij Lucien Remience en hij riep: “Maar, Lucien, ze hebben op me geschoten!” Lucien snelde te hulp en wilde de Duitsers uitleggen dat, wat er ook mocht zijn gebeurd, Colleau het niet kon hebben gedaan: hij was immers een beetje debiel. Maar voordat Lucien zijn zin kon afmaken, schoot een van de Duitsers Colleau een kogel door het hart. Lucien trachtte te vluchten. Hij holde de moestuin in en klom in een kersenboom. Tevergeefs. Ook hij werd door een kogel dodelijk getroffen. Zijn twee broers, Léon en Ernest, die het zagen gebeuren, sloegen op de vlucht, maar werden even verderop doodgeschoten.

De Duitsers verzamelden nu alle mannen die ze in Rossieres konden vinden, bonden hen twee aan twee en gooiden ze in munitiewagens. Onder de tweeënveertig gegijzelden bevonden zich ook de gebroeders Louis, 85 en 86. Ook zij werden geboeid en in een wagen gegooid.

De volgende ochtend werden de gijzelaars, nog steeds geboeid, naar Vaux-les-Rossieres gebracht, nadat ze eerst nog gedwongen waren een blik te werpen op hunbrandende dorp. In Vaux heeft de burgemeester tevergeefs voor hen gepleit. “Ik ken ze allemaal, dat zijn toch nette mensen,” hield hij de Duitse officieren voor. Hij bood aan ze vrij te kopen: “Vraag me alles wat u wilt.” Maar de Duitsers weigerden. “Het is nutteloos. Ze zullen worden behandeld volgens de krijgswet. Er is, Gott verdamt noch mal, een Duitse officier gedood!”

De kolonne trok verder. Bij een wegwijzer werd halt gehouden en een Duitse officier riep in het Frans om de burgemeester: “Le Maire!” Maar in het Belgisch-Frans is een burgemeester “un bourgmestre”, een woord uit de Hollandse tijd, en daarom antwoordde de argeloze boer Alexandre Lemaire: “Présent”.

Ze maakten hem los, lieten hem van de wagen springen en bonden hem aan een spar. Voor de ogen van de dorpsgenoten werd hij vervolgens gefusilleerd. Als afschrikwekkend voorbeeld hadden de Duitsers de “burgemeester van Rossieres” doodgeschoten zonder enige vorm van proces. Om zijn stoffelijk overschot bekommerden zij zich niet en daarom is Alexandre Lemaire op last van de burgemeester van het naburige Nives begraven bij de wegwijzer. Daar ligt hij nog altijd.

De Duitsers lieten het dit keer bij zes geëxecuteerden. De gijzelaars werden na enkele dagen vrijgelaten en trokken terug naar hun verbrande dorp en hun rouwende vrouwen en kinderen.

Leken de Uhlanen de Duitse voorhoede, de eigenlijk voorhoede werd gevormd door zes infanteriebrigades, elk met eigen kanonnen en andere wapens. Het was het Maasleger dat Luik moest veroveren. Bij die stad zouden de Duitsers heel wat ernstiger tegenstand ontmoeten dan argeloze boeren en smekende notabelen.

Luik gold in die tijd als de sterkste vesting van Europa. Het centrum op de westelijke oever van de Maas, wordt omzoomd door steile rotswanden en heuvels van meer dan honderd meter hoog. De rivier zelf is er ruim honderd meter breed en vormde voor de legers van die tijd een natuurlijke hindernis. In de stad lagen de vijf Maasbruggen die snel en ongeschonden moesten worden veroverd om er het Eerste Duitse Leger, dat met meer dan driehonderdduizend man op de rechtervleugel zou opereren, te laten oversteken. De Duitsers hadden haast. Want het Eerste Leger zou het tempo van de zwaai door België en Frankrijk bepalen en pas wanneer dat leger Luik was gepasseerd zou het zich kunnen ontplooien en kon de opmars beginnen.

Maar Luik was goed verdedigd. Om de stad lag een ring van twaalf forten: Pontisse, Barchon, Evegnée, Fléron, La Chartreuse, Chaudfontaine, Embourg, Boncelles, Flémalle, Hollogne, Loncin, Lantin en Liers. Alleen de klank van die namen vermocht poëtische associaties te wekken.

De forten waren ondergrondse bunkers vol soldaten en munitie. Bovengronds bevonden zich alleen maar driehoekige bastions met geschutstorens voor de kanonnen. Op iedere punt van de driehoeken stonden torens met mitrailleurs en snelvuurkanonnen die de onmiddellijke omgeving bestreken. De ruimte tussen de forten werd verdedigd door een complete divisie. Het enige wat de Luikse verdediging ontbrak was zware artillerie. De kanonnen waren een jaar eerder besteld bij Krupp in Essen en de Belgen begrepen nu waarom die fabriek de levering herhaaldelijk had uitgesteld.

“Op 5 augustus,” schrijft Barbara Tuchmann, “openden de brigades van het Maasleger de aanval op de vier meest oostelijke forten met een beschieting door veldartillerie, gevold door een stormloop van de infanterie. Omdat de afgeschoten granaten te licht waren om in de forten door te dringen, kregen de Belgische kanonniers alle gelegenheid hun vuur uit te strooien over de Duitse troepen, waarbij ze onder de voorste gelederen een slachting aanrichtten. Compagnie na compagnie kwam naar voren om posities tussen de forten te bereiken. Op sommige punten braken de Duitsers door en bereikten de hellingen, waar zij beneden het schootsveld van de Belgische kanonnen kwamen. Maar daar werden ze neer gemaaid door de machinegeweren van het fort. De doden lagen in rijen van meer dan een halve meter hoog. Bij Barchon zagen de Belgen de Duitse aanvalslinie aarzelen. Ze deden een uitval met de bajonet en wierpen hen terug. Telkens opnieuw vielen de Duitsers aan, levens verspillend als kogels, in de wetenschap dat er overvloedige reserves waren om de verliezen aan te vullen. “Ze deden zelfs geen poging zich te verspreiden,” aldus luidde een beschrijving van een Belgische officier, “maar ze kwamen op ons af, rij na rij, bijna schouder aan schouder, tot we hen neerschoten en ze over elkaar heen vielen, de een na de ander, als een afschuwelijke barricade van doden en gewonden, die ons schootsveld dreigde te versperren. De barricade werd zelfs zo hoog dat we ons afvroegen of we er doorheen moesten vuren, of dat we er met onze handen openingen in moesten maken.” In hun woedende machteloosheid om die eerste hinderpaal joegen de Duitsers roekeloos mensen tegen de forten. De aantallen deden er niet toe als het doel maar binnen het tijdschema zou worden bereikt.”

De volgende dag slaagde een Duitse brigade onder generaal Ludendorff erin tussen twee forten door te dringen. De kanonnen van het fort Fléron zwegen, waarschijnlijk wegens munitiegebrek en Ludendorff kon de stad binnentrekken en de bruggen bezetten. Eén kon nog worden opgeblazen. De stad moest zich overgeven, maar de forten maakten de doortocht van het Eerste Leger nog steeds onmogelijk: die moest –voorlopig- twee dagen worden uitgesteld. Meer infanterie eropaf sturen leek zinloos. Ludendorff had belegeringsgeschut nodig.

Het Duitse opperbevel raakte wanhopig in tijdsnood. Als de Fransen zouden vermoeden wat hun vijanden van plan waren, zouden ze de strijd in Lotharingen misschien afbreken en zoveel mogelijk troepen naar België sturen. Dan raakte heel de door Schlieffen zo zorgvuldig voorbereide operatie in de war, nog voor de Duitse legers van de rechtervleugel zich hadden ontplooid. De kanonnen van de forten moesten en zouden zwijgen.

De Duitsers probeerden het nu diplomatiek. Via de bemiddeling van de Nederlandse regering –de Amerikaanse had botweg geweigerd- werd in Brussel een huichelachtige nota overhandigd, waarin het heette: “De Duitse regering betreurt het ten diepste dat het in België tot bloedige schermutselingen is gekomen. Duitsland is niet als vijand in België doorgedrongen. Nu het Belgische leger zijn roem heeft opgehouden door een heldhaftige tegenstand jegens een veel sterkere strijdmacht smeekt (in de nota staat letterlijk: “Le Gouvernement allemand prie”) de Duitse regering de Belgische koning en zijn regering om België verdere oorlogsgruwelen te besparen.” Het antwoord van de Belgische opperbevelhebber, koning Albert, op dat proza was een absolute weigering.

Koning Albert I

Op 12 augustus arriveerde het belegeringsgeschut, afkomstig van Krupp en van Skoda in het Oostenrijkse Bohemen in Luik. Deze enorme kanonnen konden granaten van 402 mm afschieten. De granaat steeg eerst duizend meter hoog om vandaar de fortenkoepels te doorboren. Nu was de weerstand van de forten nog maar een kwestie van tijd. Op 16 augustus viel het laatste fort, Loncin. Het Eerste Leger begon een dag later aan de doortocht door Luik. De Duitse aanval op Luik was twee dagen opgehouden.

Het leven in de anders zo drukke industriestad kreeg geen kans zich te herstellen. Er was veel verwoest maar geld voor de wederopbouw was er niet. Behalve een oorlogsbelasting van vijftig miljoen frank die de provincie Luik moest opbrengen, kreeg de stad Luik van de bezetter nog eens een extra schatting van tien miljoen opgelegd. Omdat de stad en de provincie zulke bedragen niet konden opbrengen, legden de Duitsers beslag op de gelden van particuliere banken. Er was geen geld meer in Luik. Alle geld was aan de circulatie onttrokken. De bankiers gaven geldbonnen uit die natuurlijk een enorme inflatie uitlokten. Honger was het gevolg.

Bij al die ellende kwam de Duitse terreur. Op de Quai des Pêcheurs werden twintig huizen weggeschoten, nadat er een knal, een klap, mogelijk een schot was gehoord. Even later staken de Duitsers tien huizen op de Place de l’Université in brand.

Het stadje Visé, dat de Uhlanen op de eerste oorlogsdag hadden gespaard, onderging op 23 augustus de Duitse furie. Gevochten werd er toen al lang niet meer in deze streken. De Duitsers waren al voorbij Brussel en Namen. Maar toen uit Visé werd bericht dat er daar franc-tireurs, sluipschutters, optraden, werden Duitse troepen vanuit Luik naar Visé gestuurd. Ze gingen er volgens het beproefde recept te werk: huizen werden in brand geschoten, mensen als “waarschuwend voorbeeld” gefusilleerd. De volgende dag vluchtten vierduizend inwoners uit Visé naar Eisden. Zevenhonderd anderen werden naar Duitsland gedeporteerd. Aan Michael Ubachs, de Maastrichtse schrijnwerker die erover schrijft, vertelde de vluchtelingen dat de schietpartij een puur Duitse aangelegenheid was geweest. Dronken bezettingstroepen hadden voor hun plezier schoten afgevuurd en in de paniek die als gevolg daarvan uitbrak, vroeg een officier aan het Luikse garnizoen om versterking.

De Duitsers hielden hun optreden niet geheim. De verwoesting van Visé werd in Luik op aanplakbiljetten bekendgemaakt, evenals de moordpartijen in Andenne (211 doden) en Aerschot (150 doden). De verantwoordelijke generaal, Von Bülow, liet bij voorbeeld weten dat de inwoners van het stadje Andenne aan de Maas zijn troepen op verraderlijke wijze hadden aangevallen. “Met mijn toestemming heeft de bevelhebber van de troepen de hele stad Andenne laten platbranden. Ongeveer honderd personen zijn gefusilleerd.”

Het exacte aantal slachtoffers was niet Von Bülows eerste zorg. Waar het hem om ging was de Luikenaren in te peperen dat hun eenzelfde lot wachtte, wanneer zij zich tegen de bezetter zouden keren. Hoe dieper de Duitsers België binnentrokken, des te omvangrijker werden de moordpartijen, des te monsterlijker de wandaden.

Leuven verwoest 1914

Op 25 augustus werd Leuven in brand gestoken. Na een schermutseling met Belgische patrouilles in de omgeving van de stad waren Duitse huzaren op de vlucht geslagen. Een van hen viel van zijn paard. Het dier holde in het donker een van de Leuvense stadspoorten binnen. Er brak paniek uit en Duitse soldaten begonnen te schieten – op elkaar. In zulke situaties klonk in die dagen vrijwel onmiddellijk de kreet: “Franc-tireurs!” De stad werd in brand gestoken. De bibliotheek met haar onschatbare verzameling middeleeuwse manuscripten, de Lakenhal en de Sint Pieterskerk met al zijn schilderijen brandden uit. Tallozen, onder wie vrouwen en geestelijken, werden vermoord.

Een kreet van afschuw ging door de hele wereld. Hier waren barbaren aan het werk, schreef de Amerikaanse pers. De Britten noemden het “Opmars der Hunnen” en de Franse schrijver Romain Rolland vroeg aan zijn Duitse collega Gerhardt Hauptmann in een open brief: “Zijt gij afstammelingen van Goethe of van Attila?”

De vernietiging van kunstschatten was de Duitse officieren overigens opgedragen. In hun handboek, het eerder geciteerde Kriegsgebrauch im Landkriege werd hun voorgeschreven: “Een oorlog kan niet alleen tegen de militairen van een bepaald land worden gevoerd; men moet ook trachten de complete materiele en intellectuele hulpbronnen van de vijand te vernietigen.”

Ook in Nederland veroorzaakten de moordpartijen, zeker die in het Vlaamse Leuven, een schok. Algemeen was het medelijden met de Belgische bevolking. Op verzoek van de Duitse regering nam Nederland voorlopig de voedselvoorziening van Luik op zich. De Duitsers wilden de spoorlijnen in dit gebied, die overvol zaten met militaire treinen, niet nog eens extra belasten met de aanvoer die een stad van de omvang van Luik nu eenmaal vereist. Alleen de noord-zuid lopende lijn Maastricht-Luik werd niet voor Duitse militaire doeleinden gebruikt en via deze lijn reden de wagons met Nederlandse hulpgoederen de stad in.

Was het medelijden met de Belgen algemeen, over de oorzaak van de terreur werd in Nederland verschillend gedacht. Vooral in katholieke en christelijke kringen heersten verbazingwekkende opvattingen, die een mens op het zonderlinge idee konden brengen, dat Onze Lieve Heer een psychopaat is, belust op de dood van iedereen in wiens omgeving de Victoriaanse moraal wordt overtreden.

In de Limburger Koerier van de priester Poels werd erop gewezen “dat God ons dezen Europeeschen oorlog heeft opgelegd om de vrijmetselarij en hare duistere werken, het liberalisme en zijn goddeloze invloed en het socialisme met zijne misleiding.” De katholieke Gelderlander meende, “dat wij in den oorlog een straf Gods hebben te zien voor de ongerechtigheden der volkeren”, en De Tijd opperde dat vooral Duitse soldaten van socialistischen huize zich in Leuven aan de gewelddadigheden hadden schuldig gemaakt.

Ook niet mis was een preek van een Twentse pastoor waarin het heette dat “niet koningen of diplomaten de oorlog verklaren, maar God. God bedient zich nu van het Duitse leger als de wrekende hand die het goddelooze en zedelooze Frankrijk moet tuchtigen. Het Duitsche leger moet en zal overwinnen, want God strijdt met hen. België heeft onverstandig gedaan den Duitschers vrijen toegang te weigeren en nu België te zamen strijdt met het goddelooze Frankrijk, kan ook België niet een deel der straf ontgaan. Van al de Duitschers die tot nu toe gesneuveld zijn, is er niet één oprecht geloovig katholiek. Ook onder de Duitschers zit heel wat kaf, onder anderen veel van die socialisten. Die moeten nu maar meteen opgeruimd.” En vanaf een Brabantse preekstoel werd betoogd dat de oorlog een straf was voor de door de Fransen veelvuldig toegepaste geboortencontrole, het zogeheten twee-kinderenstelsel.

De Gereformeerde Kerkeraad van Amsterdam verklaarde de oorlog simpelweg als een uitbarsting van Gods toorn en de anti-revolutionaire Standaard, waarvan Kuyper nog steeds hoofdredacteur was, opperde van tijd tot tijd dat Frankrijk met de oorlog werd gestraft omdat in Parijs de vrouwen op straat zoveel van haar kuiten lieten zien. Maar het meest bont maakten het twee dominees. “God dank, dat ze komt,”, preekte de hervormde ds. De Ligt over de straf van de oorlog, “want kwam ze niet, dan was God niet. Nimmer bleek God een rechtvaardiger Geest der Liefde dan nu, nu en wereld in onrecht vergaat. Dit is de groote rechtvaardiging der goddelijke liefde, dat thans Europa in brand staat.” Tegen de Hervormde Synode, die de gemeenten had geschreven dat zij God om ontferming moesten bidden, profeteerde De Ligt: “Waarom moet Uw land bewaard? Indien het nu eens in mijn heilig plan lag om Nederland op te offeren op mijn wereldaltaar, opdat het Koninkrijk der Hemelen heerlijker uit ’t menschheidsleven zou verrijzen?” En dr. De Hartog betoogde in het maandblad Nieuwe Banen: “Alle leven, alle glorie, alle rijkdom, alle kultuur wordt uit den oorlog, uit den dood geboren. De spade, de ploeg doet den oorlog aan de aardkluit en maakt die aardkluit vruchtbaar tot ons voedsel. De sikkel doet den oorlog aan het koren en als het koren is geveld gelijk een soldaat, dan wordt het koren brood in onze schuren, in onze molens, in onze ovens. Overal is er oorlog. Ons gebit staat als een zwaard in het voedsel. Daar hebt gij niet van gemerkt totdat het uw eigen lijf raakt. Nu kermen wij, ja, nu wij ons offeren mogen voor het grote geheel, nu zuchten wij. Daarom wil ik dezen ganschen zwaren en duisteren gang Gods met U zien als een louteringsproces, als een angst van vuur, waaruit het gedegen goud geboren moet worden. Want anders, anders kunt Gij geen antwoord vinden.”

In het stadje Tamines zetten de Duitsers intussen hun louteringsproces voort. Tamines ligt tussen Namen en Charleroi aan de Sambre. Om geen last te hebben van de Naamse forten wilden de Duitsers hier over de Sambre trekken, maar ze werden tegengehouden door de Fransen aan de overkant van de rivier. Hun woede over die tegenslag koelden ze op de bewoners.

Tegenwoordig wordt de horizon van Tamines gemarkeerd door een verlaten fabriek, een niet meer gebruikte stortberg en een ingezakte loods. Het deprimerende stadje deelde het lot van zoveel plaatsen in de Waalse industriezone. Oude huizen; een station waar sedert 1914 niets lijkt te zijn veranderd of het moeten de elektrische seinpalen zijn; oude mensen. De jeugd trekt weg. In 1914 was dat anders. Toen maakte Tamines deel uit van de belangrijkste industriegebieden die de wereld kende.

Op 21 augustus werd het stadje bezet en nog diezelfde avond begon de plundering. Soldaten braken in in de cafés en namen zoveel flessen mee als ze maar konden dragen. De volgende werden ruim zeshonderd willekeurige mensen bijeengedreven op het stadsplein, voor de kerk. Er stonden mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden en zelfs iemand in een rolstoel. Toen opende de Duitsers het vuur. De vuurpelotons schoten zo lang tot er niemand meer overeind stond. Met de bajonet werden degenen die nog niet door waren, afgemaakt. Maar weinigen ontkwamen aan de dood door zich tussen al die bloedende slachtoffers bewegingloos te houden.

Ter nagedachtenis van de slachtoffers is in een hoek van dat stadsplein een plantsoen aangelegd, vlak bij de brug over de Sambre. Op een muur staat een opschrift: “Op 22 augustus 1914 vond op deze plek een massamoord op de bevolking van Tamines plaats door de Duitsers. 584 mensen van alle leeftijden kwamen om. 98 werden gewond.” Dan volgen hun namen die nu niet meer zijn te lezen. Daarvoor is de muur te verweerd.

Aan de overkant van het slecht onderhouden plein –alleen de gedenktekens lijken nog enigszins onderhouden in de failliete Sambrestreek- staat de kerk met het dichtstbevolkte kerkhof dat ik ooit heb gezien. Op een oppervlakte van vijfentwintig bij vier meter rusten de slechtoffers van de vuurpelotons in een massagraf. De gedenkstenen met hun namen liggen zo dicht bij elkaar dat er geen plaats overblijft om tussendoor te lopen. En er is te weinig plaats voor alle gedenkstenen. Daarom hangen ze ook aan de kerkmuur, soms vier boven elkaar. Op iedere steen staat: “Fusilé par des Allemands.”

De onbevangen reiziger die in Dinant aankomt met de Intercity uit Namen wordt onmiddellijk getroffen door de aanblik van de trein naar Frankrijk, aan de overkant van het perron. Het is een prehistorisch dieselmonster waar alleen de directeur van een spoorwegmuseum verlekkerd naar kan kijken. Wie zulke treinen naar Frankrijk laat rijden kan niet van een overweldigende Frans-gezindheid worden verdacht.

Maar de eerste indruk is, zoals zo vaak, verkeerd. Dat besef dringt zich al op, als de bezoeker honderd meter van het station de Maasbrug op wandelt. Aan vlaggestokken wapperen frisse, nieuwe tricolores en de brug draagt de naam Pont Charles de Gaulle. Op een plaquette staat de reden voor die naamgeving: “Hier raakte op 15 augustus 1914 de luitenant Charles de Gaulle gewond, aan het begin van een leven dat geheel gewijd zou zijn aan de verdediging van de mens en zijn vrijheden.”

De stad blijkt bezaaid met monumenten en plaquettes. Voor het stadhuis staat een standbeeld, waarvan de inscripties drie van de treurigste decennia uit de uit de Europese geschiedenis markeren: “Aan de 674 martelaren uit Dinant, onschuldige slachtoffers van de Duitse barbarie.” “Aan onze helden en martelaren 1940-1945.” Er staat ook een stenen kistje met de tekst: “As van politieke gevangenen uit Dachau.” En verder: “Aan de soldaten uit Dinant, gevallen op het ereveld”, “Aan de gedeporteerden uit Dinant, gestorven voor ’t vaderland” en “Aan de Franse soldaten die hier zijn gevallen in de gevechten van 15 en 23 augustus 1914.”

Wie de Eerste en Tweede Wereldoorlog heeft moeten doorstaan, raakt gewend aan herdenkingen en Belgen zijn praktische mensen. Daarom hebben zij hun monumenten ter herdenking van de ene ook maar meteen voor de andere wereldoorlog gebruikt. Dat zie je ook in Neffe, een wijk even buiten het centrum van Dinant, waar in 1914 tientallen mensen zijn afgeslacht. Op het monument te hunner nagedachtenis staan ook de namen van de zeven soldaten uit Neffe die in de Tweede Wereldoorlog zijn gesneuveld.

Het besef dat de Tweede Wereldoorlog een soort onontkoombaar gevolg was van de Eerste dringt zich in Dinant sterk op. Je wordt ervan doordrongen bij een bezoek aan het Franse oorlogskerkhof, bij de citadel. Hier ligt Fontaine, Marius, soldat du 208’ Régiment d’Infanterie, mort pour la France 15-8-1914. En Schipman, Maurice, een Elzasser van het 310de regiment, gestorven voor Frankrijk. En iemand van wie alleen nog de voornaam, Antoine, kon worden achterhaald. Ledru, Albert rust in één graf samen met een onbekende. En ook ligt hier Bouguerra, Achour. Hij was aan zijn grafsteen te zien een islamiet, misschien kwam hij wel uit een van de koloniën in Noord-Afrika. Ook hij is in Dinant gestorven voor Frankrijk. En er ligt Porquet, Félix van het vierde regiment infanterie, die op 15 november 1918 overleed, waarschijnlijk ten gevolge van eerder opgelopen verwondingen, of misschien bij een ongeluk, want op 11 november 1918 had Duitsland een wapenstilstand getekend. Op 15 november was de oorlog al voorbij.

Maar wellicht is voorbij niet het goede woord. De oorlog ging verder. Canadezen en Japanners, Amerikanen en Engelsen, Fransen en Polen, en zelfs Duitsers trokken de Sovjetunie binnen. In dat land ging de wereldoorlog haast ongemerkt over in de burgeroorlog. Toen ook die gevechten ten einde liepen, was voor de Chinezen de Tweede Wereldoorlog al bijna begonnen. Al in 1931 vielen de Japanners China binnen. Voor de Ethiopiërs begon de Tweede Wereldoorlog in ’35, voor de Spanjaarden in ’36, voor de Tsjechen en de Polen in ’39. Het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt even exact aangegeven door Hirosjima en Nagasaki, als het begin van de Eerste door de Duitse oorlogsverklaring aan Rusland. Maar het einde van het eerste wereldconflict lijkt geleidelijk over te gaan in het begin van de tweede.

Zulke gedachten ontstaan al wandelend over het oorlogskerkhof in Dinant. Er liggen de stoffelijke resten van J.R. Ashley, boordschutter van de RAF. Hij stierf op 12 oktober 1941. “A brave, courageous boy, much loved by his father, mother, brothers and sisters.” En er ligt Berrih of Berrin. Zijn naam was op zijn identificatieplaatje blijkbaar niet goed meer te lezen. Hij was sergeant en stierf voor Frankrijk op 24 mei 1940. En er ligt sergeant I. Alterson, bommenrichter van de Royal Canadian Air Force. Hij was pas eenentwintig toen hij stierf. Aan de Davidster op zijn graf is te zien dat hij joods was – “In loving memory of our son Irving”, staat erop. “Loved, remembered, longed for always.”

In de citadel zelf staat zowaar nog een Duits gedenkteken. “Hier ruhen die Resten von 12 deutschen und 58 französische Soldaten“, staat erop. Het is een oud fort, gebouwd in 1040 door de bisschop van Luik en gerenoveerd in 1820 door de Hollanders. Het ligt op de oostelijke oever van de Maas honderd meter hoog boven de rivier.

“De Maas is een kortbaar halssnoer,” heeft koning Albert eens gezegd en daaraan is Dinant ongetwijfeld een parel. De Maas stroomt er door een diepe rotskloof. Voor de stad zelf laat de rivier bijna geen ruimte meer over en dus is Dinant wel vier kilometer lang, en heel smal. Op beide oevers liggen nergens meer dan vier straten parallel aan de Maas, en soms maar één, zo smal is het dal.

Langs de rivier loopt een vriendelijke boulevard met aanlegsteigers voor salonboten en pleziervaartuigen. Ook in 1914 was dit kokette stadje al een gezocht Belgisch vakantieoord.

Wie vanaf de westoever de Maas wilde oversteken kon dat alleen via de brug pal onder de citadel. Vanuit het westen konden alleen de Fransen komen en tegen hen was het fort in 1820 ook gericht. In 1914 lag de citadel dus aan de verkeerde kant van de Maas. Dat was de reden waarom de Belgen er geen troepen hadden gelegerd. Want dit keer kwam de vijand uit het oosten.

Tegen een aanval uit het oosten kon de citadel geen stand houden. Daartegen was zij onbeschermd. Ze lag op gelijke hoogte met het omringende heuvelland.

Citadel Dinant

In de eerste week van de oorlog waren de Fransen in deze streek de Belgen te hulp gekomen. Zij rukten op naar de Sambre en naar de Maas en in Dinant trokken ze de Maas over en bezetten het fort. Maar op 15 augustus moest het kleine Franse detachement in het citadel zich terugtrekken voor de voorhoede van het grote Duitse Derde Leger onder generaal Von Hausen.

Tegenwoordig is de citadel een museum waar je tussen allerhande wassen beelden ook een Franse en een Duitse soldaat uit 1914 kunt aantreffen. Ze gaan elkaar te lijf met de bajonet, de Duitser in het feldgrau, de Fransman in een blauwe jas en een rode broek. In die uitmonstering was een Franse soldaat vooral tijdens een aanval in het open veld een vogel voor de kat, maar een voorstel om de soldaten meer in het camouflerende kaki te hullen, was door het Franse parlement afgewezen. “Le pantalon rouge,” had een afgevaardigde verontwaardigd geroepen, “c’est la France.”

Op 15 augustus trokken de Duitsers het dal in en probeerden de brug over te komen. In die gevechten raakten onder anderen De Gaulle gewond. De Fransen op de hoge westoever lieten zich niet onbetuigd en legden spervuur aan. De Duitsers moesten terugtrekken.

De kogels van de Fransen ricocheerden op de rotswanden en zo leek het de Duitsers dat zij in Dinant van alle kanten werden beschoten. Vanzelfsprekend viel de kreet “franc-tireurs!” Zij trokken zich terug op de oostelijke hoogten, maar de “sluipschutters” daar beneden in de stad waren nog niet van hen af.

Op 20 augustus zeiden officieren van het 101ste regiment tegen een Belgische rechter, Lamotte, dat de inwoners van Dinant “slechte mensen” waren, “en dat Dinant zou branden.” En in het gehucht Hour kregen de inwoners op 22 augustus van de Duitsers te horen: “Morgen, Dinant, alles kaputt, alles, alles, alles.”

Ze hielden woord. De volgende dag, een zondag, trokken ze opnieuw de stad in. De Fransen bliezen de brug op en hielden de westelijke oever nog een dag.

Maar de Duitsers waren niet alleen meer geïnteresseerd in een snelle oversteek van de Maas. Zij wilden wraak. Overal werden willekeurige mensen samengedreven en vermoord. Van de veertien-honderd huizen verbrandden er die dag twaalfhonderd.

Later zou de verantwoordelijke officier, generaal Von Hausen, zijn “diepe bewogenheid” uitdrukken over het leed dat zijn menschappen over de stad hadden gebracht. Maar hij was ervan overtuigd, dat de verantwoordelijkheid voor de slachtingen geheel bij de Belgische regering lag. “Die had immers het verraderlijke schieten in de straten aangemoedigd.” Het is bijna overbodig te zeggen dat het een leugen was.

De Duitsers legden die nacht een pontonbrug over de Maas en de volgende dag werden de slachtingen voortgezet in het westelijke stadsdeel. Aan het eind van de dag waren er 674 willekeurige mensen vermoord. De jongste was Mariette Fivet, een baby van drie weken, dochter van de schrijnwerker Ferdinand Fivet en van Françoise Léonard. Het gezin is tegen een muur gezet en gefusilleerd. De oudste was de weduwnaar Francois Pontieux, 84, die men nooit meer heeft teruggevonden.

De vijfenzeventigjarige priester abbé E. Herbecq was vijf jaar, toen de massamoorden plaatsvonden. Zijn vader, Eugène Herbecq, was president van de rechtbank in Dinant. Door zijn kennis van het Duits bleef hij gespaard, dat wil zeggen dat hij met 415 anderen als gijzelaar naar Kassel werd gedeporteerd en

daar enkele maanden gevangen heeft gezeten. Meteen na zijn terugkomst uit Duitsland begon hij overlevenden te ondervragen en stelde een eerste dossier over de moordpartij samen. In 1917 is op basis hiervan in Leiden een eerste openbaar overzicht verschenen van wat zich in Dinant heeft afgespeeld.

L’abbé is ervan overtuigd dat de diepste oorzaak van de massamoord is gelegen in wat hij “de Duitse hoogmoed”, “l’orgueil d’être allemand” noemt. “De Duitsers waren racisten. Aan het feit dat ze Duitsers waren ontleenden zij het recht om alles, maar dan ook alles te doen om de oorlog te winnen. Het was de totale Krieg. De aanleidingen voor de slachtingen was natuurlijk het oponthoud dat ze hier leden. Aan de overkant van de Maas lagen de vijftiende augustus twintigduizend Franse soldaten. De drieëntwintigste nog maar een paar honderd, maar ze bleven prima schieten. De Duitsers hadden haast. Hun parool was: Nach Paris. Ze vroegen mijn zuster hoe ver ’t nog was naar Parijs.

Er is in Dinant niet geschoten op de Duitsers door burgers. Daarvoor waren het toch veel te brave mensen! Het lag ook niet in hun karakter, ze waren helemaal niet zo militaristisch. Er heerste in Dinant vóór 1914 een afkeer van de dienstplicht en van het leger. Voor de Duitsers waren de franc-tireurs een psychose. In 1870-’71 zijn er franc-tireurs geweest in de Elzas en in Lotharingen, dat hadden ze op school geleerd. En toen die kogels op de rotsen ricocheerden, dachten ze meteen weer aan sluipschutters. Ik herinner me nóg de echo’s van de schoten, vreselijk.

Om zeven uur ’s ochtends kwamen ze hier aan huis. Wij moesten vertrekken. Ik herinner me beelden van Duitse soldaten met geweren in de aanslag. Wij moesten naar de gevangenis. Buiten zijn tientallen mensen doodgeschoten, maar uit persoonlijke herinnering weet ik daarvan niets. Dat hebben mijn ouders toen voor me verborgen gehouden. ’s Avonds werden we de gevangenis uitgejaagd, de straat op. De hele stad stond in brand. Mijn vader heeft gehoord dat officieren opdracht gaven om huizen in brand te steken. Ik heb nog het beeld voor ogen van Duitsers die matrassen naar buiten gooiden. Ze hadden ze opengesneden op te zien of er iets kostbaars in verborgen zat. De Duitsers plunderden de huizen eerst, voordat ze ze in brand staken.

Toen mijn vader terugkwam uit Kassel herkende ik hem niet, zo slecht zag hij eruit. Zijn boord was hem veel te groot. Hij was toen al met zijn onderzoek begonnen. In Kassel zaten ze met zijn vieren in een cel en ze hebben er over niets anders gepraat dan over de slachtpartij, uur na uur. Dus het onderzoek is eigenlijk al in Kassel begonnen. Later, bij ons thuis, werd er steeds weer over gepraat, ook met gasten. Ik ben opgegroeid met de Duitse furie.”

Mijnheer R. Pairoux is nu drieënzeventig en apotheker in ruste. Hij woont in het naburige Yvoir, in de Maasvallei. In zijn werkkamer hangen schilderijen van Dinant in brand en van barakken op het plein voor de Maasbrug. Ook zijn leven is bepaald door datgene wat er gebeurde toen hij nog maar drie jaar was. Sedert 1982 is hij voorzitter van het herdenkingscomité, le comité dinantais du souvenir. Hij heeft het voorzitterschap op zich genomen uit respect voor zijn ouders, voor zijn vader die gefusilleerd werd en voor zijn moeder die voorzitster werd van het comité van weduwen van gefusilleerden. Pairoux benadrukt dat hij geen wraak wil. “Maar we mogen niet vergeten. Ik wil nooit meer oorlog. Ik weet wat het is. Ik heb het meegemaakt in ’14-’18. In ’40 ben ik gewond geraakt. Tijdens het Ardennenoffensief van Von Rundstedt stond ik op een Duitse dodenlijst. Dus ik weet waar ik over praat. Maar de slechtoffers mogen nooit worden vergeten. Het gaat om hun eer, hun nagedachtenis. Er is in Dinant niet door burgers op de Duitsers geschoten. Het was een pure, onuitgelokte moordpartij.

In de bossen van de Elzas, in de valleien van de Vogezen, in de omgeving van Sarrebourg, in de Passage de la Seile, overal waar de Duitsers in ’14 op tegenstand van de Fransen stootten hebben zij zich gewroken op de burgerbevolking. Ze hebben er willekeurige mensen vermoord: mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards. Zo is ’t hier ook gebeurd.”

Pairoux is ervan overtuigd, dat het oponthoud in Dinant een van de redenen was waarom de Duitsers uiteindelijk verslagen zijn aan de Marne. “Het Duitse Derde Leger was te laat. Er vielen gaten in de linie tussen het Tweede en het Derde Leger… Waarom bleef het Derde Leger achter aan de Marne? Wanneer was de slag aan de Marne? Op 6 september! Welnu, pas op 24 augustus kon ze hier de Maas oversteken. Ze zijn hier veel te lang opgehouden en daarom waren ze woedend.

In die dagen waren het echt boches: les soldats que crapule. Er kwamen officieren bij de vader van Félix Bourdon, die later arts is geworden, en ze vroegen of ze mee mochten eten. De familie Bourdon vroeg hen aan tafel. Drie uur later kwamen dezelfde officieren terug en namen die mensen mee om ze te fusilleren. Félix is ook tegen de muur gezet. Maar hij liet zich bij het eerste schot vallen en bleef ongedeerd.

Na die drieëntwintigste hadden we niets meer, geen kleren, geen beddegoed, niets. Mijn vader was door en ons huis was verbrand. We zijn te voet naar Rorée gegaan, naar mijn grootmoeder. Daar zijn we tot februari 1915 gebleven. Toen is mijn moeder in een barak in Dinant een kruidenierswinkel begonnen, de Épicerie Veuve Albert Pairoux.”

Het leven in Dinant speelde zich af tussen ruïnes en houten noodbarakken. “Ik ging op school in de barak,” herinnert zich Abbé Herbecq. “Er zaten veel jongens in de klas wier vader of grootvader was gefussilleerd. Er waren vijf plekken met barakken.

Het lot van de weduwen was verschrikkelijk. Ze leefden aan de rand van de hongersnood. Als ik nu nog een schoolkameraad van toen tegenkom praten we er steeds weer over: waar was jij op dat of dat moment? De meesten van hun ouders, voor zover toen nog in leven, zijn door mijn vader ondervraagd.”

Drie herinneringen uit die dagen staan Pairoux nog helder voor de geest: “De hele familie van mijn vader is weggehaald, behalve mijn tante Henriette. Ik zie haar nog zitten, bij ons in de kelder. Verder weet ik nog dat het regende. En later, toen we opgesloten zaten in een pastorie naast de smederij van Bouille waar zoveel mensen levend zijn verbrand, weet ik nog dat ik zo’n dorst had. Mevrouw Lockmans, die Duits sprak, heeft toen aan een Duitser om water voor me gevraagd.

Later, heeft mijn moeder me verteld, zijn we door een raam uit de pastorie ontsnapt. We kwamen op de Place de la Meuse, een open plein aan het water. De Fransen schoten van de overkant op de Duitsers die het plein wilden oversteken. De Duitsers hebben ons toen als levend schild gebruikt. We waren opnieuw gevangen. Ze hebben ons opgesloten in de kerk van Leffe. Ze gaven ons hosties te eten, er was niets anders. Toen we eindelijk vrijgelaten werden, zijn we naar mijn grootmoeder gevlucht.”

Toen op 10 mei 1940 de Duitsers opnieuw de Belgische oostgrens overtrokken, sloeg de complete bevolking van Dinant op de vlucht, naar Frankrijk. En in de eerste dagen van de Duitse bezetting kon men in de stad overal gebeitel horen.

Alle plaquettes en inscripties die herinnerden aan de moordpartij van 1914 werden weggekapt. Het grote monument dat ter ere van de slachtoffers pas in 1936 was opgericht, is opgeblazen. Het werd gedomineerd door een hand met twee vingers omhoog, het symbool van de waarheid dat er niemand in Dinant de Duitsers in de rug had geschoten. Maar de nazi’s konden de waarheid niet verdragen.

Na de oorlog heeft nooit een officiële Duitse autoriteit Dinant bezocht. Aan de Tweede Wereldoorlog willen de meeste Duitsers al niet meer herinnerd worden, laat staan aan de Eerste.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s