Science in de tijd van de Verlichting

17ef3bbf-5dc9-4ea6-8b56-c1cdd21e67dd-989-0000016d895b3068_tmp

Engelse adelijken hielden in de 18e eeuw graag wetenschappelijke experimenten. Hier zie je hoe de zuurstof weggepompt wordt uit een kolf waarin zich een vogeltje bevindt. Het vogeltje sterft en aangetoond is dat zuurstof nodig is voor het leven. Het kleine meisje is duidelijk geschokt.          Schilderij van Joseph Wright of Derby 1768.

Advertenties

Engeland en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog 1775 – 1783

Auteur. Bas de Vries. Historisch Nieuwsblad

image

‘Mijn God, alles is voorbij,’ stamelde de Britse premier Lord North toen het nieuws over de pijnlijke nederlaag in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog hem bereikte. Het verlies van de kolonie veroorzaakte grote angst bij veel Britten. Toch  hadden zij het de Amerikaanse opstandigheid grotendeels aan zichzelf te danken.
image

De Britse koning George III regeerde maar liefst zestig jaar: van 1760 tot zijn dood in 1820. Toch had het weinig gescheeld of hij had al in 1781 het bijltje erbij neergegooid. Aanleiding: de nederlaag van het Britse leger bij Yorktown (Virginia) tegen de troepen van George Washington. Iedereen in Londen wist dat dit voor een beslissende wending zou zorgen in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog.

Het dreigende verlies van de koloniën kwam zo hard aan, dat George als telg uit het Huis Hannover op het punt stond de wijk te nemen naar Duitsland. Zijn afscheidsrede was al klaar. Daarin zei hij niet alleen de troon van Groot-Brittannië en Ierland vaarwel, maar ook de Britse eilanden zelf:

‘Zijne Majesteit constateert met grote spijt dat hij niet langer van nut kan zijn voor zijn vaderland, wat hem tot de pijnlijke stap brengt om het voor altijd te verlaten. Als gevolg daarvan draagt Zijne Majesteit de kroon over aan zijn zoon en wettige opvolger George, de prins van Wales, van wie hij hoopt dat diens inspanningen voor het heil van het Britse rijk succesvoller zullen blijken te zijn.’

Conflict met de koloniën
Vier jaar eerder had de koning al duidelijk gemaakt waarom hij de Amerikaanse Vrijheidsoorlog beschouwde als ‘de belangrijkste waarin welk land dan ook ooit verwikkeld is geweest’. Zouden de Amerikaanse koloniën de kans krijgen zich af te scheiden, dan kon het niet anders of andere delen van het rijk zouden spoedig volgen, schreef hij in een brief aan premier Lord North.

Eerst zou Brits-West-Indië verloren gaan, en uiteindelijk zelfs Ierland. Met desastreuze gevolgen, volgens George III: ‘Dit eiland zal op zichzelf worden teruggeworpen en snel echt arm worden, want (…) handelaren zullen hun welvaart verplaatsen naar gunstiger klimaten en fabrikanten zullen dit land verlaten voor het Nieuwe Rijk.’

George III zou deze tekst nooit uitspreken; hij bleef nog tientallen jaren aan de macht (zij het dat hij de laatste tien jaar van zijn leven vanwege geestesziekte werd vervangen door zijn zoon als ‘Prince Regent’). Maar zijn hevige reactie op de pijnlijke nederlaag in Amerika stond niet op zichzelf. Ook de eerdergenoemde premier Lord North leek compleet verslagen toen het slechte nieuws van overzee hem bereikte: ‘Mijn God, alles is voorbij.’

De Britten waren ervan overtuigd dat de handel met de Amerikaanse staten onmisbaar was voor de eigen economie. Oud-premier William Pitt (de Oudere) had ooit uitgerekend dat het land daar jaarlijks 2 miljoen pond aan overhield, een zeer substantieel bedrag voor die tijd. Vandaar dat een andere grote naam uit de Britse politiek, het toen kersverse Lagerhuislid Edmund Burke, al in 1766 waarschuwde dat door het conflict met de koloniën ‘de fundamenten onder het koninkrijk wegzakken’.

En dan te bedenken dat Groot-Brittannië de Amerikaanse opstand voor een belangrijk deel aan zichzelf te danken had. Tijdens de Franse en Indiaanse oorlog hadden Britten en ‘Amerikanen’ nog zij aan zij gevochten. En toen die oorlog in 1763 eindigde in een klinkende overwinning, waarmee de Britten ten koste van aartsrivaal Frankrijk hun heerschappij vestigden over een groot deel van Noord-Amerika, werd de overwinning in verschillende Amerikaanse steden uitbundig gevierd.
image

Benjamin Franklin, de man die dertien jaar later een van de opstellers van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring zou zijn, beschouwde zichzelf in die dagen nog in de eerste plaats als Brit. De toekomst van Amerika zag hij binnen het Britse rijk, waar hij met trots over sprak. En hij was bepaald de enige niet, zou hij later tegenover een commissie in het Lagerhuis verklaren.

Over de Amerikanen zei hij: ‘Ze hadden niet alleen respect, maar ook liefde voor Groot-Brittannië, zijn wetten, zijn gewoonten en zijn manieren, en zelfs voor zijn mode, die de handel sterk deed toenemen. Ze beschouwden het (Britse) parlement als het grote bolwerk en de beschermer van hun vrijheden en voorrechten en spraken er altijd over met het uiterste respect en ontzag.’

Financiële consequenties

Dat veranderde echter drastisch toen de Britse regering eenmaal de financiële consequenties van de Franse en Indiaanse oorlog tot zich had laten doordringen. Minister van Financiën George Grenville had in 1763 uitgerekend dat het Britse financieringstekort inmiddels de 122 miljoen pond oversteeg.

Zou het niet logisch zijn, redeneerde hij, als de Amerikanen zouden helpen de schulden af te betalen? Profiteerden zij niet volop van de bescherming van het Britse leger en de marine? Was het om die reden eigenlijk niet merkwaardig dat de gemiddelde Brit 26 shilling per jaar aan belastingen betaalde, terwijl een inwoner van de staat Massachusetts niet meer dan 1 shilling bijdroeg aan de Britse schatkist?

Eenmaal premier stuurde Grenville daarom in het voorjaar van 1765 de Stamp Act (Zegelwet) naar het Lagerhuis; een voorstel om in de Amerikaanse koloniën belasting te heffen op alle wettelijke handelingen, zoals het opstellen van een testament of een diploma. Maar ook scheepsvrachten, kranten, boeken, dobbelstenen en speelkaarten werden belast. Belastingen kortom, die vrijwel alle Amerikanen zouden raken.

Niet verwonderlijk dus dat er op z’n zachtst gezegd weinig enthousiast op de Stamp Act gereageerd werd. Ten eerste, wierpen de Amerikanen tegen, hadden ze al stevig aan de oorlog tegen Frankrijk bijgedragen: militair, maar ook financieel. Daarnaast betaalden ze wel degelijk belasting, namelijk aan hun eigen staat. Het zou heel vreemd zijn als zij dan ook nog eens werden aangeslagen door een Brits parlement waarin zij bovendien zelf niet vertegenwoordigd waren (no taxation without representation).

Dit soort rationele argumenten maakte echter weinig indruk in Londen. Net zo min als de resoluties tegen de Stamp Act die in het voorjaar en de zomer van 1763 in veel volksvertegenwoordigingen (assemblies) in de Amerikaanse koloniën werden aangenomen. Voor de regering van George Granville was het belastingconflict in zekere zin net zo principieel: zouden de ‘ongehoorzame’ Amerikanen hun zin krijgen, dan bestond het risico dat zij in meer kwesties de Britse autoriteit ter discussie zouden stellen.

Opstand en verzet

Met die koppige opstelling bereikte Grenville echter precies wat hij wilde voorkomen: anti-Britse emoties overzee, die op sommige plaatsen zelfs uitmondden in grof geweld. Dat was met name het geval in Boston, de grootste stad van Massachusetts, een kolonie die na de Franse en Indiaanse oorlog in een recessie was geraakt.

Het volk van Boston, berucht om zijn opstandigheid, richtte zijn agressie in augustus op een zekere Andrew Oliver, van wie werd gezegd dat hij verantwoordelijk zou worden voor het innen van de gehate nieuwe belastingen. Zijn huis werd aangevallen en geplunderd door een woedende menigte. Later die maand onderging de luitenant-gouverneur van Massachusetts hetzelfde lot.
image

De onrust sloeg over naar andere koloniën en al snel was het duidelijk dat de Stamp Act op dermate veel verzet stuitte, dat die in de praktijk waarschijnlijk niet of nauwelijks te innen zou zijn. De Amerikaanse ‘zegelagenten’ die door de Britten waren aangesteld tegen een salaris van 300 pond per jaar, zagen zich gedwongen hun werk neer te leggen.

Voor zover dit nog niet voldoende reden was voor het Britse parlement om haar wetsvoorstel te heroverwegen, ontstond er ook de dreiging van een Amerikaanse boycot van Britse goederen. Een negental koloniën kwam in oktober 1765 zelfs bij elkaar op een ‘Stamp Act-congres’ in New York, waar – nadat de Amerikaanse loyaliteit aan de Britse kroon was onderstreept – onder meer werd gewaarschuwd voor de economische consequenties van het invoeren van de gehate nieuwe belasting.

Uiteraard waren vooral de Londense handelaren gevoelig voor het risico van een boycot van Britse goederen. In een petitie aan het Lagerhuis smeekten zij hun volksvertegenwoordigers ‘henzelf en hun families te behoeden voor een dreigende ondergang’. In de aanloop naar de behandeling van de wet liep de druk in Londen zo steeds verder op; een dreigende wolk van massawerkloosheid hing boven het Lagerhuis.

Het debat dat daarop in de eerste maanden van 1766 volgde, was in de eerste plaats een boeiende botsing tussen de onwrikbare verdedigers van het Britse gezag over de koloniën en pragmatici als William Pitt de oudere. De woedende premier George Grenville was de meest uitgesproken representant van de eerste groep.

‘Wie de koning adviseert zijn soevereiniteit over Amerika op te geven is de grootste vijand van dit land’
Hij had geen goed woord over voor de ‘opruiende’ Amerikanen en al helemaal niet voor al die ‘facties in dit Huis’ die zich door hen lieten intimideren: ‘Wie de koning adviseert zijn soevereiniteit over Amerika op te geven is de grootste vijand van dit land en zal tot in de eeuwigheid worden beschuldigd.’

Pitt bracht daar tegenin dat die soevereiniteit helemaal niet ter discussie stond. Hij verzekerde zijn gehoor: ‘Ik ben geen hoveling van de Amerikanen. (…) Laten we hun handel controleren, hun fabrikanten aan banden leggen, en verder elke mogelijke macht over hen uitoefenen, maar laten we hen niet zonder toestemming geld uit de zakken kloppen.’

De oud-premier van Whig-huize kreeg steun van zijn partijgenoot en oorlogsheld kolonel Barré, die blijk gaf van een kijk op het kolonialisme waarmee hij twee eeuwen vooruitliep: ‘Elke kolonie heeft zijn onafhankelijkheidsdatum. De dwaasheid of wijsheid van ons gedrag zal bepalen of deze dag in de nabije of in de verre toekomst zal plaatsvinden. Als we onoordeelkundig handelen, kan dit punt nog tijdens het leven van vele leden van dit Huis worden bereikt.’

Verdeeldheid

Het hoeft weinig verbazing te wekken dat de Britse politici destijds zo verdeeld waren in hun reacties op de Amerikaanse opstandigheid. Er was geen precedent; nooit eerder had een kolonie in deze mate verzet getoond. Consensus leek er alleen te bestaan over het grote belang van de keuze die moest worden gemaakt.

Uiteindelijk trokken de pragmatici aan het langste eind, ook vanuit het besef dat het Britse leger in Amerika simpelweg niet groot genoeg was om de Stamp Act op zoveel duizenden kilometers van Londen af te dwingen. En vanuit de vrees dat de andere grootmachten, Frankrijk en Spanje, economisch zouden profiteren als Groot-Brittannië en de Amerikanen tegenover elkaar zouden blijven staan.

Bij de stemming in het Lagerhuis op 18 maart 1766 waren er 275 leden die tegen de Stamp Act stemden, tegenover 167 voorstemmers. Maar het ging hier nadrukkelijk om een politiek compromis: tegelijkertijd werd er een Declaratory Act (Bevestigingswet) aangenomen, die het Britse parlement nadrukkelijk het recht gaf om de koloniën wetten op te leggen ‘in alle mogelijke kwesties’. Die laatste woorden waren bewust gecursiveerd om ze extra nadruk te geven.

De indieners van de Bevestigingswet vonden het kortom van groot belang dat de Amerikanen begrepen dat zij met het intrekken van de Stamp Act slechts een tijdelijke overwinning hadden behaald. Daarmee werd direct alweer de brandstof geleverd voor nieuwe conflicten – en uiteindelijk ook voor de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring die tien jaar later door dertien koloniën zou worden aangenomen.

De Britten, die met de Stamp Act zelf een sfeer van verzet in Amerika hadden gecreëerd – een sfeer die vóór die tijd helemaal niet aanwezig was als we Benjamin Franklin mogen geloven – bleven naar manieren zoeken om meer inkomsten uit de koloniën te halen. De Amerikanen, die al 150 jaar gewend waren dat het ‘moederland’ afstand hield en hen veel vrijheden gunde, kregen plotseling te maken met wat zij zagen als een aanhoudende en volstrekt onacceptabele Britse bemoeizucht.

Toen het Lagerhuis in 1767 besloot voor allerlei producten douaneheffingen in te voeren, liepen de spanningen verder op. In Amerika ontstond zoveel verzet, dat ook deze maatregel weer moest worden ingetrokken. Met één belangrijke uitzondering: thee.

image
Eind 1773 kwamen de irritaties daarover tot een hoogtepunt. Een groep van zo’n zestig mensen die zich ‘Sons of Liberty’ noemden, besloot in de haven van Boston kratten Britse thee ter waarde van zo’n 10.000 pond in het water te kieperen. De actie zou de geschiedenis ingaan als de ‘Boston Tea Party’; tot op de dag van vandaag een inspiratiebron voor Amerikanen die zich afzetten tegen een te grote rol van een sturende overheid.

In de maanden daarna escaleerde het conflict verder. De Britse overheid besloot in reactie op de Boston Tea Party hard op te treden tegen de kolonisten, in een poging ze terug in het gareel te krijgen. Het maakte het Amerikaanse verzet er alleen maar geharnaster. Totdat in 1765 Amerikaanse milities slaags raakten met Britse troepen bij Lexington en Concord, óók in Massachusetts.
image

Oorlog

De Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog was begonnen, een langdurige, bloedige oorlog die niet lang na de overgave van 7000 Britse soldaten bij Yorktown zou eindigen in een Amerikaanse overwinning.

Achttien jaar na de gezamenlijke overwinning op de Fransen gingen dertien koloniën zelfstandig verder als de Verenigde Staten. Groot-Brittannië leerde een gevoelige les: zijn autoriteit in het verre Amerika was anderhalve eeuw gebaseerd geweest op loyaliteit – affectie zelfs – en traditie, niet op een reëel afdwingbare machtspositie.

Toen de Britten die macht wel probeerden uit te oefenen, raakte de status quo volledig verstoord. Zeker toen de Amerikanen merkten dat bij voldoende druk vergaande maatregelen als de Stamp Act door het Lagerhuis gewoon weer werden ingetrokken.

Overigens was de relatie tussen beide landen na de onafhankelijkheidsstrijd ook opvallend snel weer hersteld. Van een ineenstorting van de handel tussen Groot-Brittannië en de VS was geen sprake. Eerder bleek er die Special Relationship te zijn, waar vooral de Britten tot op de dag van vandaag met zoveel genoegen op wijzen.

Ook de zorgen van koning George III werden snel weggenomen. Ergens in de jaren tachtig van de achttiende eeuw – de exacte datum is niet bekend – schreef hij opnieuw zijn gedachten op, dit keer bij wijze van terugblik op het verlies van de koloniën. Daarin sprak hij een verwachting uit die haaks stond op zijn gedachtes na de slag bij Yorktown: ‘Het is te hopen dat wij meer zullen profiteren van de handel als vrienden dan we ooit aan ze konden ontlenen als koloniën.’
image

Thomas Hobbes 1588-1679

 

De Engelse filosoof Thomas Hobbes accepteerde het idee dat de koning zijn gezag kreeg van God niet meer.

Hij verwierp ieder gezag dat berustte op theologische voorstellingen.

Hij vond dat de mens een soort robot was , een automaat ; het hart functioneerde als de veer in een uurwerk en de gewrichten als de radertjes.

 Volgens Hobbes was de maatschappij  “een strijd van allen tegen allen”. Dit was de natuurtoestand , die steeds als een grote verwilderende chaos de maatschappij bedreigt.

De mens was geen gemeenschapsdier maar gericht op zelfbehoud. De mens had de rede ( ratio) die hij gebruiken kon om zich te beveiligen tegen de driften van zijn medemensen

Om de strijd van allen tegen allen te voorkomen moest de mens het absolute gezag van een vorst wel accepteren, want hoe kon hij anders overleven ? Homo Homini Lupus , de mens is een wolf voor de mens.De mens moet daarom zijn vrijheid prijs geven om te overleven. De staat ( vorst ) krijgt op redelijke gronden alle macht.

Empirisme en rationalisme

John_Locke

Empirisme is een filosofische stroming waarin gesteld wordt dat kennis uit de ervaring voortkomt. Belangrijke empiristen in de 17e eeuw waren  Francis Bacon en John Locke. Vooral John Locke was belangrijk.

FRANS_~1

René Descartes

Het rationalisme is een filosofische stroming die zegt dat de rede ( het denken) de enige of voornaamste bron van kennis is. De Griekse filosoof Plato kun je als een rationeel denker zien. Hij wantrouwde de ervaring met de zintuigen als bron van kennis. In de zeventiende eeuw was René Descartes een belangrijk rationeel denker. Van hem is de uitspraak : cogito ergo sum d.w.z. ik denk dus ik besta.

Samenvatting hoofdstuk 4 2 VWO

4.1 De pruikentijd

In de 18e eeuw werd Nederland economisch ingehaald door Frankrijk en Groot-Brittannië. In Frankrijk werden burgers rijk door de bloeiende handel en nijverheid, maar de standenmaatschappij bleef bestaan. De eerste en tweede stand (geestelijkheid en adel) hadden voorrechten boven de derde stand (de rest van de bevolking). In westerse landen ontstond het idee dat mensen met het verstand alles konden verklaren en dat door rationeel denken de maatschappij verbeterd kon worden (de verlichting). Verlichte denkers geloofden niet meer dat God voortdurend ingreep. Ze verwierpen het idee dat de koning zijn macht van God had gekregen. Ze wilden verdraagzaamheid, gelijkheid, vrijheid en de vorming van een rechtsstaat.

4.2 Revolutie in Amerika

De Amerikaanse Revolutie was de eerste democratische revolutie in de geschiedenis. Deze ontstond toen dertien Britse kolonies in Noord-Amerika in 1773 in opstand kwamen tegen de Britse overheid. In 1776 verklaarden de kolonies zich onafhankelijk en vormden de Verenigde Staten van Amerika. Na de onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) werden de VS werden een federale republiek met een democratische grondwet, de eerste geschreven grondwet uit de geschiedenis. De grondrechten van de burgers werden vastgelegd in de Bill of rights.

4.3 Revolutie in Frankrijk

In 1789 brak de Franse Revolutie uit. Burgers en boeren kwamen in opstand tegen de standenstaat. De derde stand stelde een democratische grondwet op, waardoor Frankrijk in 1791 een constitutionele monarchie werd. In 1792 raakte Frankrijk in oorlog met Oostenrijk, Pruisen en andere landen. In 1792 zette het parlement de koning af en riep de republiek uit. Koning Lodewijk XVI werd ter dood veroordeeld. Het radicale schrikbewind van Robespierre kostte duizenden mensen het leven. De Franse Revolutie eindigde met de staatsgreep van Napoleon in 1799.

4.4 Revolutie in Nederland

In 1781 ontstond de patriottenbeweging, die de democratische idealen van de verlichting in Nederland wilde doorvoeren. Patriotten grepen in veel steden de macht, maar in 1787 werden ze verjaagd. Toen de patriotten in 1795 met het Franse leger terugkeerden riepen ze de Bataafse Republiek uit. Nederland werd een eenheidsstaat met een democratische grondwet. Napoleon maakte een eind aan de democratie. In 1806 maakte hij van Nederland het Koninkrijk Holland. Van 1810 tot 1813 was Nederland een deel van Frankrijk. Belangrijke hervormingen uit de Franse tijd (1795-1813) bleven bestaan.

4.5 Europa onder Napoleon

Na de revolutie werd het Franse leger een grote vechtmachine met vrijwilligers en dienstplichtige militairen. In 1799 greep generaal Napoleon de macht in Frankrijk en werd dictator. In 1804 schafte hij de republiek af en riep zichzelf uit tot keizer. Hij voerde ook verlichte hervormingen door. Vanaf 1805 onderwierp Napoleon grote delen van Europa, waar hij Franse wetten invoerde. Zo verspreidde hij de idealen van de Franse Revolutie over Europa. In 1812 werd Napoleons leger in Rusland vernietigd.

– In 1813 werd Napoleon bij Leipzig verslagen. In 1815 werd hij definitief verslagen bij Waterloo.

De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger

De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger

Aan het begin van de Franse Revolutie neemt men voorgoed afstand van de standenmaatschappij. De burgerij zet koning Lodewijk XVI af en hij wordt gedwongen de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger te ondertekenen. Dit gebeurde op 26 augustus 1789.

De Fransen waren de voorrechten van de aristocratie al voor 1789 zat. Zij betaalden bijvoorbeeld veel minder belasting over hun bezittingen, terwijl ze veel meer grond in hun bezit hadden. Het ging economisch erg slecht met de Franse maatschappij en dit kwam volgens vooral de burgerij mede door deze privileges. Besloten werd om de monarchie omver te werpen. Vertegenwoordigers van alle drie de standen werden hierbij betrokken en kwamen bij elkaar in de Nationale Vergadering. Hierin werd gepraat over de inhoud van de wet die de basis zou moeten vormen voor de nieuwe Franse staat . De Franse Revolutie kreeg gestalte.

De Ideeën uit de Verlichting

De bevolking baseerde haar drijfveren voor het omverwerpen van het Ancien Regime (de adellijke maatschappij) onder meer op de ideeën uit de Verlichting. In de Verlichting werden mensen namelijk als autonoom en van nature goed beschouwd. Dit in sterke tegenstelling tot de overtuigingen van de aanhangers van het Ancien Regime, die juist geloofden dat mensen van nature kwaad wilden en dus onderworpen moesten worden. Adellijke heersers beriepen zich er vrijwel altijd op dat ze vertegenwoordigers waren van het goddelijke gezag en dat het noodzakelijk was dat zij de bevolking onderdrukten.

Rousseau

Toen men hier eenmaal afstand van had genomen, ontstonden andere denkbeelden over hoe de samenleving in elkaar zou moeten zitten. Dit nadenken over de natuurlijke goedheid van de mens werd onder andere ontwikkeld door Jean-Jacques Rousseau. Hij stelde dat mensen pas verkeerd gingen handelen wanneer ze elkaar in de weg zaten, en niet vanuit zichzelf. Daarom moest er volgens Rousseau een sociaal contract worden opgesteld, waarin zoveel mogelijk de algemene wil werd nagestreefd. Mensen moesten elkaar in hun handelen zo min mogelijk belemmeren.

Naar Amerikaans voorbeeld

De Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring uit 1776 had ook invloed op het idee dat er één overkoepelende verklaring voor de rechten van de mens moest zijn. De Amerikanen hadden namelijk, nadat ze zich definitief hadden vrijgevochten van de Engelsen, één van de eerste democratische grondwetten opgesteld. Omdat de Fransen het Ancien Regime omver wilden werpen en meenden dat iedereen vanaf de geboorte gelijk was, wilden ze dat in Frankrijk ook het grondbeginsel van de democratie werd vastgelegd. In tegenstelling tot wat in het Ancien Regime gebruikelijk was, zou de soevereiniteit niet meer bij de vorst liggen, maar bij het volk.

De totstandkoming van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger

Na uitgebreid overleg, dat meer dan een maand duurde, kwamen de vertegenwoordigers van de drie standen in Frankrijk tot een definitieve tekst. De laatste artikelen van het document zijn aangenomen op 26 augustus 1789. Het document bestaat uit zeventien artikelen, waarin onder andere ligt vastgelegd dat iedereen gelijk en vrij is, dat de soevereiniteit bij het volk ligt en dat burgers zelf het recht hebben om te kiezen door wie ze bestuurd worden. De verklaring werd opgenomen in de Franse grondwet van 1791.

Revolutie in Nederland : de Patriottenbeweging 1781 – 1787

In de tweede helft van de achttiende eeuw leek de Gouden Eeuw van de Republiek voorgoed voorbij. Als handelsnatie was de Republiek overvleugeld door Engeland. De financiële sector groeide weliswaar, maar die kon de grote werkloosheid niet oplossen. In de internationale politiek telde de Republiek ook nauwelijks meer mee. Dat werd pijnlijk duidelijk in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784), waarin de Republiek geen partij meer bleek voor Engeland.

Stadhouder Willem V

Stadhouder Willem V

In de crisis kwam een nieuwe politieke groep naar voren, de burgers, die tot dan toe nauwelijks een stem hadden gehad in het lands- en stadsbestuur. Zij zagen in stadhouder Willem V een soort dictator, en in sommige regenten zijn stromannen. Ze hielden de stadhouder verantwoordelijk voor de crisis waarin het land was beland. Deze kritische burgers noemden zich ‘patriotten’. Sommige regenten kozen hun kant.

S-NG-1988-25-00

Joan Derk van der Capellen tot den Pol

Op 26 september 1781 verscheen er een illegaal anoniem patriottisch pamflet, ‘Aan het volk van Nederland’, dat de politieke discussie pas goed deed ontbranden. Het was geschreven door Joan Derk van der Capellen tot den Pol. Er vormden zich twee partijen. Aan de ene kant de aanhangers van de stadhouder Willem V, aan de andere kant de patriotten. Beide kanten maakten volop gebruik van het politieke pamflet. Een lawine van tijdschriften – zoals de invloedrijke De Kruyer – losse blaadjes, spotprenten rolde over het land. Daarin werd geanalyseerd hoe de Republiek in elkaar zat en waarom die in verval was geraakt, en werden oplossingen aangedragen. Langzamerhand kwamen ook nieuwe elementen in de discussie naar voren. Zo begon het nationaal gevoel, een gevoel van trots op het land, steeds meer een rol te spelen. Mensen voelden zich niet alleen meer inwoner van een stad of streek, maar ook burger van het vaderland, dat zich volgens de patriotten dan ook als politieke eenheid zou moeten organiseren. Een twistpunt daarbij vormde de vraag hoe burgers in de politiek vertegenwoordigd moesten worden.

Patriotse burgers organiseerden zich in ‘vrijkorpsen’, een soort verenigingen van gewapende burgers,

patriotten

om de macht over te nemen. Stadhouder Willem V voelde zich niet meer veilig in het patriotse Den Haag en trok zich terug in Nijmegen, totdat de koning van Pruisen in 1787 troepen stuurde om de orde te herstellen. Deze deed dat op verzoek van zijn zus Wilhelmina, de vrouw van de stadhouder. De vrijkorpsen van de patriotten waren geen partij voor de goed getrainde Pruisische soldaten.

Acht jaar later (1795) kwam er alsnog een einde aan de Republiek, toen de revolutionaire Fransen de (ondergrondse) patriotten te hulp kwamen om het oude regime ten val te brengen. De stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland. Later in 1813 keerde zijn zoon Willem Frederik terug naar Nederland. Hij werd de eerste Oranje koning van Nederland : Willem I.

De Patriotten , Bataafse Republiek en de Franse Tijd

De Bataafse Republiek in 1798

Lodewijk Napoleon Koning van Holland 1806 - 1810

Lodewijk Napoleon (1778-1846) Koning van Holland . Deze man heeft veel voor Nederland gedaan tijdens zijn korte regeerperiode begin 19e eeuw (1806-1810).

De grenzen van het Koninkrijk Holland 1806 – 1810

Willem I Koning der Verenigde Nederlanden 1815 -1840. In 1830 begon de Belgische Opstand en verloor Willem I de helft van zijn koninkrijk. Willem I regeerde nog zelf , had de volledige uitvoerende macht en wordt ook wel de koning-koopman genoemd.

1805 een belangrijk jaar

Overwinning van Napoléon bij Austerlitz 1805

Overwinning van Napoléon bij Austerlitz 1805

De grootste overwinning van Napoléon was de slag bij Austerlitz in het huidige Tjechie. De Russen en Oostenrijkers werden daar verslagen. Napoléon won op het continent maar admiraal Nelson versloeg de Frans-Spaanse vloot bij Trafalgar in dat zelfde jaar. De Britten bleven de heersers van de zee. De Britse admiraal Horatio Nelson sneuvelde tijdens  de zeeslag. In Londen werd zijn standbeeld op een zuil in het centrum geplaatst. Je kent het plein als Trafalgar Square.

Zeeslag bij Trafalgar 1805

Zeeslag bij Trafalgar 1805

De Victory het vlaggenschip van Horatio Nelson. Op dit schip sneuvelde Nelson. In Londen kennen we sindsdien Trafalgar Square.

De Victory het vlaggenschip van Horatio Nelson.