Opdrachten rechtsstaat 1

In een rechtsstaat zijn de rechten en plichten van zowel de burgers, als de overheid vastgelegd in de wet. Zo is bijvoorbeeld vastgelegd dat de wet voor iedereen op dezelfde manier geldt. Toch zijn er verschillen in het recht. Er zijn bijvoorbeeld verschillende rechtsgebieden. 1. Wat zijn de zes rechtsgebieden? Ga naar http://themashavo.nl/ Log in met gebruikersnaam ‘havo’ (geen hoofdletters!) en wachtwoord ‘essener2014’. Ga naar het thema ‘Rechtsstaat’ en dan naar ‘Hoofdstuk 1’. 2. Maak de opdracht ‘Waarden, normen en rechtsregels’. Sla je score op op je blog als je meer dan 55 punten hebt gehaald. Maak de opdracht opnieuw als je 55 of minder punten hebt gehaald. Lees de tekst in het mapje ‘De wietjesroker’. De tekst is geschreven door advocaat De Mooij. Hij beschrijft een voorbeeld van een rechtszaak. De tekst vind je ook via onderstaande linkjes: In een rechtsstaat zijn de rechten en plichten van zowel de burgers, als de overheid vastgelegd in de wet. Zo is bijvoorbeeld vastgelegd dat de wet voor iedereen op dezelfde manier geldt. Toch zijn er verschillen in het recht. Er zijn bijvoorbeeld verschillende rechtsgebieden.

  1. Wat zijn de zes rechtsgebieden?

Ga naar havo.themasonline.nl. Log in met gebruikersnaam ‘havo’ (geen hoofdletters!) en wachtwoord ‘essener2014’. Ga naar het thema ‘Rechtsstaat’ en dan naar ‘Hoofdstuk 1’.

  1. Maak de opdracht ‘Waarden, normen en rechtsregels’. Sla je score op op je blog als je meer dan 55 punten hebt gehaald. Maak de opdracht opnieuw als je 55 of minder punten hebt gehaald.
  1. Zoek op wat onderstaande begrippen betekenen in het boek of op internet.
  1. Civiel recht
  2. Kort geding
  3. Gedaagde
  1. Maak de opdracht ‘Rechtsgebieden’ op havo.themasonline.nl bij Hoofdstuk 1 van thema Rechtsstaat. Sla je score op op je blog als je meer dan 55 punten hebt. Doe de opdracht opnieuw, als je 55 of minder punten hebt.
  1. Maak de opdracht ‘Soorten privaatrecht’ op havo.themasonline.nl bij Hoofdstuk 1 van thema Rechtsstaat. Sla je score op op je blog als je meer dan 55 punten hebt. Doe de opdracht opnieuw, als je 55 of minder punten hebt.

Praktische opdracht maatschappijleer I

4 havo 2014-2015 

Doel van de praktische opdracht

  • De stof uit het boek verwerken.
    • Door de begrippen uit dit thema te gebruiken in de context van je werkstuk, zou je ze beter moeten gaan begrijpen voor het proefwerk.
  • Een blik vooruit werpen.
    • Je kunt begrippen gebruiken, die verderop in het hoofdstuk pas aanbod komen.
  • % van het eindcijfer binnenhalen.
    • Als ‘leren’ voor een toets niet je ding is, kun je met een werkstuk op een andere manier laten zien wat je kan.

De opdracht

De regels vooraf:

  • Je schrijft een werkstuk over het onderwerp ‘journalistiek’ of ‘rechtsstaat’.
  • Het werkstuk maak je in een groepje van twee of (bij uitzondering) drie leerlingen.
  • Hieronder staan de belangrijkste onderwerpen voor het eerste proefwerk. Kies een onderwerp dat met één van deze onderwerpen te maken heeft.
    • Waarden, normen en belangen van (sub-)culturen (p. 12-13)
    • Macht en machtsmiddelen (p. 13-14)
    • Invloed van de media (p. 19-21)
    • Journalistieke codes (p. 19-20)
    • Verschillende rechtsgebieden (p. 30-31)
    • Machtenscheiding (p. 33-34)
    • Strafrecht (p. 36-37)
    • Politie en officier van justitie (p. 38-39)
    • Strafproces (p. 40-43)
    • Criminologie (p. 44-45)
    • Burgerlijk recht (p. 46-49)
  • Je gebruikt ALLEEN EIGEN TEKST. Magister herkent werk van anderen elders op internet.
  • Ga in op alle onderdelen van de opdracht. Geef ook duidelijk aan welk deel van je werkstuk, bij welk deel van de opdracht hoort. Laat in je verslag zien wat je gedaan hebt, stap voor stap.

 

Beoordelingscriteria

Formeel

  • Correct en duidelijk gebruik maken van begrippen uit tekstboek van maatschappijleer.
  • Op tijd inleveren.
  • Lever alleen eigen tekst
  • Lettertype Calibri, lettergrootte 12, regelafstand 1,15, paginanummering.
  • Houd je aan het maximaal aantal bladzijden (aangegeven per onderdeel van het verslag).
  • Inhoudsopgave is correct. Gebruik de ‘outline’ of ‘overzicht’ functie in Word. Bij gedeelde bestanden staat een filmpje met uitleg hoe dit moet.
  • Geen plaatjes in of achter de tekst. Eventueel kun je in een bijlage extra plaatjes toevoegen, maar zorg dat ook deze iets toevoegen en niet alleen dienen ter illustratie. Dat betekent dat je ze nodig hebt voor de tekst en ze in de tekst bespreekt.

 

Inhoudelijk

  • Gebruik de opdracht. Houd je aan alle ‘bolletjes’, die in de opdracht staan.
  • Het gaat om het correct gebruik van begrippen uit het tekstboek. Laat duidelijk zien dat je ze gebruikt (bv. onderstrepen).
  • De mindmap (stap 1) moet worden toegevoegd aan het verslag.
  • Het schematisch antwoord (stap 3) moet worden toegevoegd aan het verslag.

Stappenplan

Stap 1

  • Maak een mindmap bij het een onderwerp uit het thema rechtstaat. De mogelijke onderwerpen staan onder het kopje ‘regels vooraf’ in deze opdracht. Doe het zo:
  • Schrijf of typ eerst trefwoorden.
  • Zet trefwoorden, die met elkaar te maken hebben, bij elkaar.
  • Maak de map op papier of op de site popplet.com. Let hierbij op:
    • Geef groepen trefwoorden één kleur.
    • Verbind de trefwoorden, die met elkaar te maken hebben.
    • Verwerk zo veel mogelijk trefwoorden in je map maar,
    • Zorg wel dat je map overzichtelijk blijft.
  • Formuleer een hoofdvraag naar aanleiding van je mindmap. Laat deze aan de docent zien! De vraag moet aan de volgende eisen voldoen:
  • De vraag gaat over één duidelijk onderwerp.
  • De vraag is naar verwachting te beantwoorden.
  • De vraag is van verschillende kanten te bekijken.

Stap 2

  • Formuleer maximaal drie deelvragen die nodig zijn om de hoofdvraag te beantwoorden. Denk aan de volgende zaken:
  • Welke actoren (personen of instanties) spelen een rol bij het probleem?
  • Welke begrippen uit je mindmap zijn echt essentieel voor het beantwoorden van je hoofdvraag?
    • Vaak blijkt het eerste onderwerp nog te breed. Als je meer dan drie deelvragen nodig hebt, kun je waarschijnlijk beter je hoofdvraag verder inperken. Gebruik hiervoor je mindmap.

Stap 3

  • Zoek informatie bij je deelvragen.
  • Gebruik begrippen uit je mindmap als zoektermen. Combineer begrippen, zodat je gericht kunt zoeken.
  • Houd natuurlijk de hoofdvraag altijd in je achterhoofd bij het kiezen van de benodigde bronnen. Kies alleen bronnen, die je echt kunt gebruiken.
  • Houd bij welke bronnen je denkt te gaan gebruiken. Gebruik hiervoor mattermap.nl. Bij gedeelde bestanden staat een filmpje met uitleg hoe dit moet.
  • Leg voor iedere bron uit waarom je die bron gebruikt. Denk aan:
    • De bron past heel goed bij het onderwerp.
    • De bron is van erg hoge kwaliteit (bv. kranten, nos, websites van belangrijke organisaties)
    • De bron is neutraal of in ieder geval eerlijk over het standpunt dat wordt gekozen.
  • Lees een bron vlot door en knip en plak belangrijke informatie in een Word bestand. Vergeet de bron niet te vermelden.

Stap 4

  • Informatie ordenen. Onderstreep belangrijke woorden of zinnen in de tekst die je hebt geknipt uit de bronnen.
  • Geef een schematisch antwoord op je vragen in steekwoorden. Dit kan met CMapLite, maar ook gewoon in Word als je dat wilt.
  • Houd nauwkeurig bij welke bronnen je waar hebt gebruikt. Vergeet dit niet!

Stap 5

  • Schrijf het werkstuk. Deze bestaat uit:
    • Voorpagina
      • Titel, namen, klas, datum van inleveren.
    • Inhoudsopgave. Gebruik de ‘outlinefunctie’ in Word.
    • Inleiding (maximaal 1 A-4)
      • Vraag en deelvragen.
      • Leg uit waarom je de hoofdvraag hebt gekozen.
        • Actueel?
        • Persoonlijke interesse?
        • Groot maatschappelijk belang?
      • Leg uit waarom de deelvragen nodig en interessant zijn.
    • Betoog (maximaal 4 A-4)
      • Leg uit hoe je naar informatie hebt gezocht (zie stap 3).
        • Gebruikte zoektermen.
        • Redenen om bronnen te kiezen.
      • Antwoorden op de deelvragen.
    • Conclusie (maximaal 1 A-4)
      • Herhaling van de vraag.
      • Gebruik antwoorden op deelvragen, om de hoofdvraag te beantwoorden.
    • Bronnenlijst
    • Discussiepunten (maximaal 1 A-4)
      • Welke nieuwe vragen roepen je gevonden antwoorden op?
      • Wat ging er mis?
      • Hoe verliep de samenwerking?
      • Is je mening over het onderwerp veranderd door het maken van het werkstuk?
      • Hoe heb je naar informatiebronnen gezocht?
      • Hoe heb je de keuze gemaakt uit verschillende informatiebronnen?
      • Je kunt laten zien dat je verschillende bronnen hebt gebruikt.
      • Je kunt uitleggen hoe je informatie uit je bronnen hebt gehaald. Bij geschreven bronnen is dit natuurlijk niet zo interessant, maar hier kun je bijvoorbeeld aangeven wat je uit een interview hebt gehaald.
  • Schrijf je tekst zo:
    • Begin een alinea altijd met een stelling of vraag, die je in de rest van de alinea toelicht of beantwoord.
    • Een alinea heeft altijd maar één onderwerp of legt uit hoe twee (of meer) onderwerpen met elkaar te maken hebben.
    • De laatste zin van een alinea rond het onderwerp van de alinea af.
    • Het verband tussen opeenvolgende alinea’s moet duidelijk zijn. Gebruik verwijswoorden. Kijk in je boek voor Nederlands!!!
    • Gebruik spellingscontrole van Word.
    • Let zelf ook op schrijffouten.
    • Als je een bron gebruikt (zeker als je citeert) moet je de bron erbij vermelden.

 

Stap 6

  • Laatste check: Voldoet je verslag aan alle criteria?