Hitler stuurde zelf aan op de holocaust

c4ba37b5-c1a8-4188-852b-cf223fe8a28b-2843-000004c39fc11e67_tmp

Lees onderstaande link

https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/file/20170119104346/3802/index.html

Advertenties

Keizer Wilhelm II von Hohenzollern 1859 – 1941

De laatste keizer van het Duitse rijk werd keizer n 1888 als opvolger van zijn vader Friedrich die al na 9 maanden keizerschap aan kanker overleed. Een arm van Wilhelm was bij zijn geboorte beschadigd en kleiner gebleven.De Spartaanse Pruissische opvoeding liet veel sporen na in het karakter van de keizer. Hij was wispelturig en vaak opgewonden. Hij was ook zeer overtuigd van zichzelf. Op 9 november 1918 vluchtte de keizer naar het neutrale Nederland waar hij in 1941 stierf in Huis Doorn.

image

De foto is in onze tijd digitaal ingekleurd.

Wilhelm II voorpublicatie

Toen Wilhelm II in januari 1859 werd geboren, zat zijn grootvader Wilhelm I nog niet op de Pruisische troon. Dat gebeurde pas vlak voor Wilhelms tweede verjaardag, in januari 1861. Er zouden bijna drie decennia verstrijken voor zijn grootvader op negentigjarige leeftijd, in maart 1888, overleed. Wilhelm werd dus al van jongs af aan geconfronteerd met het feit dat zijn vader Frederik III, de Pruisische kroonprins, niet de enige persoon was die hij had te respecteren. Boven hem stond nog een vader, een grotere vader, een figuur met een haast mythische reputatie en de plechtstatigheid en de indrukwekkende snor van een bijbelse patriarch. De grootvader was niet alleen vorst van een koninkrijk en (vanaf 1871) de stichter van een keizerrijk, maar ook het hoofd van het huishouden, en dat had verstrekkende gevolgen voor het familieleven van zijn levende nageslacht.
In oktober 1886 legde Wilhelm het probleem uit aan Herbert von Bismarck, de zoon van de kanselier, die een tijdlang zijn vriend en vertrouweling was: ‘De prins […] zei dat het ongewone feit dat er drie volwassen generaties waren in een heersersfamilie de zaken compliceerde voor zijn vader: in alle andere gevallen, zowel in heersers- als andere families, bezat de vader immers het gezag en was de zoon financieel afhankelijk van hem. Maar hij [prins Wilhelm] viel niet onder het gezag van zijn vader en hij kreeg geen cent van hem. Aangezien alles afkomstig was van het hoofd van de familie, was hij onafhankelijk van zijn vader […], en dat was uiteraard onaangenaam voor zijne keizerlijk hoogheid [de kroonprins].’

 

Drie volwassen generaties binnen de heersersfamilie zitten elkaar dwars

Deze ongemakkelijke verdeling van de macht tussen ouder en grootouder was de bepalende factor in Wilhelms leven. De vrije tijd, het tenue, de militaire plichten en de representatieve functies van de prinsen vielen stuk voor stuk onder het gezag van hun grootvader koning Wilhelm I. De privéleraar van de prins, die door de koning was benoemd en door hem werd betaald, droeg ertoe bij dat de invloed van zijn ouders nog verder werd beperkt. In die zin waren de kinderen, zoals de kroonprinses in de zomer van 1864 aan haar moeder toevertrouwde, ‘publiek bezit’.

 

Vanaf augustus 1865, toen de koning weigerde toe te staan dat Wilhelm en zijn broers en zussen zich bij hun ouders voegden op vakantie in Engeland, beklaagde de kroonprinses zich erover dat de koning en de koningin zich steeds meer begonnen te bemoeien met de levens van de kinderen. Misschien was het onvermijdelijk dat er spanningen zouden ontstaan tussen deze twee generaties die zich beide even sterk verantwoordelijk voelden voor de opvoeding van een derde, maar de kans op een conflict werd nog eens aanzienlijk vergroot door de politieke partijenstrijd aan het hof van de Hohenzollerns.
Sinds de revolutionaire opstanden van 1848-1849 werd het hof gedomineerd door twee politieke facties die lijnrecht tegenover elkaar stonden: de westers georiënteerde conservatief-liberale partij en de pro-Russische aartsconservatieven. Deze twee belangengroepen hadden gedurende de jaren 1850 tegen elkaar geïntrigeerd – met name tijdens de Krim-oorlog, toen ze een onderling radicaal verschillend buitenlands beleid hadden voorgestaan – en ze waren nog altijd actief toen Wilhelms moeder in 1858 Engeland verliet om een huishouden te stichten met haar nieuwe echtgenoot in Berlijn.
De kroonprinses stond bijzonder vijandig tegenover de ‘Russische kliek’, die gekenmerkt werd door haar ‘onvriendelijkheid’, ‘jaloezie’, ‘antipathie’ en niet in de laatste plaats door haar ‘afkeer van de Engelsen en alles wat Engels is’. ‘De sympathie van die Russische, reactionaire, piëtistische kliek kan me niets schelen, en ik verafschuw hun manier van denken hartgrondig en hoop toch echt dat hun tijd voorbij is.’
Met haar uiterst orthodoxe of evangelische geloofsovertuigingen, haar reactionaire opvattingen over de binnenlandse politiek en haar naar het oosten gerichte blik in buitenlandse zaken vormde de Russische kliek het culturele en politieke tegenovergestelde van het kroonprinselijk paar en hun entourage. Frederik en Victoria waren in theologisch opzicht ruimdenkend, in politiek opzicht vooruitstrevend, en hun opvattingen over de buitenlandse politiek waren georiënteerd op Groot-Brittannië en werden gekenmerkt door een groot wantrouwen ten opzichte van Rusland.
De kans op spanningen werd nog verder vergroot door het feit dat Victoria, de meest vrijzinnige van het tweetal en de dominante persoonlijkheid in hun relatie, een intelligente, welbespraakte, bazige en emotionele vrouw was, die een sterk superioriteitsgevoel koesterde ten opzichte van de mensen die haar omringden. Dankzij haar scherpe blik, haar status als relatieve buitenstaander en haar grote interesse in politieke macht vormt Victoria’s correspondentie met haar moeder, de Britse koningin Victoria, een van de beste bronnen die we hebben voor het leven aan het Pruisische hof.

 

Uiteraard maakten deze eigenschappen haar weinig populair bij de conservatieven aan het hof, die haar directheid ongepast vonden voor een vrouw en die haar er later van zouden beschuldigen dat ze haar man zou hebben onderworpen aan haar eigen politieke wil. Aanvankelijk had de prominente aanwezigheid van de ‘Russen’ aan het hof en in de beau monde van Berlijn de kroonprins en zijn echtgenote hooguit wat geïrriteerd. In 1862 zou dit echter plots dramatisch veranderen toen een langdurig conflict tussen de kroon en de liberale meerderheid in het Pruisische parlement (de Landtag) uitliep op de benoeming van de notoir antiliberale Otto von Bismarck tot kanselier en de ontbinding van de Landtag, zonder dat er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven.
Het probleem was niet alleen dat de ‘reactionaire partij’ nu alle overheidsorganen beheerste en haar ‘Russische’ agenda in praktijk begon te brengen in het buitenlandse beleid. Een veel ernstiger probleem was dat het hof zelf nu ook een ruk naar rechts maakte. De koning manoeuvreerde niet tussen de partijen, maar verbond zich nu ondubbelzinnig met het reactionaire element. ‘De reactionaire partij wordt met de dag sterker,’ schreef Victoria in juli 1862, ‘en ze hebben de koning nu geheel in hun kamp en in hun macht.’ Tegen de zomer van dat jaar waren kroonprins Frederik en zijn vader in politiek opzicht inmiddels zo ver van elkaar verwijderd geraakt dat een normaal gesprek nauwelijks nog mogelijk leek.
Zelfs de kleinste toespeling op politieke kwesties, zo weet Victoria te melden, ‘brengt [de koning] tot razernij, zodat hij voor geen rede vatbaar lijkt’. Deze ommekeer in de politieke stemming aan het hof zorgde ervoor dat de kroonprins en zijn echtgenote zich pijnlijk bewust werden van hun geïsoleerde en machteloze positie. ‘Het gevoel van vernedering is nog het moeilijkst te verdragen,’ schreef Victoria in januari 1863. ‘Ons rest niets anders dan onze mond te houden en toe te zien hoe de mensen van wie we houden en voor wie we eerbied hebben betreurenswaardige vergissingen begaan.’
Er was uiteraard nog wel een alternatief voor zwijgen, en de kroonprins en zijn echtgenote stonden feitelijk niet helemaal alleen. Overal in Pruisen bleef een sociaal invloedrijke liberale beweging vraagtekens zetten bij de legitimiteit van het bewind, dat nu regeerde zonder parlement, in strijd met de grondwet. Op 5 juni 1863, na de publicatie van nieuwe decreten die de persvrijheid beperkten, sprak de kroonprins zich voor het eerst publiekelijk uit tegen de nieuwe regering. Tijdens een receptie die ter ere van hem werd gehouden in Danzig nam hij afstand van de regering-Bismarck en zei hij de recente provocatieve maatregelen te betreuren. Toch zou dit een minder dramatische gebeurtenis blijken te zijn dan op dat moment werd gedacht. Frederik deinsde ervoor terug om zichzelf aan het hoofd van de progressieve beweging te plaatsen. Hij ging zelfs zover dat hij zijn vader ervan verzekerde dat hij zich in de toekomst zou onthouden van dit soort protesten.

 

Voor het persoonlijk leven van de kroonprins en zijn echtgenote, en daarom ook voor hun nog jonge zoon Wilhelm, zouden de gebeurtenissen van juni 1863 echter blijvende gevolgen hebben. Nu hadden ze de woede gewekt van de kanselier, een man die bijzonder ingenieus en vasthoudend kon zijn in zijn haat en die regelmatig tegen hen zou intrigeren. Hij zou bovendien nog dertig jaar lang een uiterst belangrijke machtsfactor blijven in de Pruisisch-Duitse politiek. Op de kortere termijn leidden Frederiks openlijke oppositie en Victoria’s uitgesproken persoonlijke steun voor de standpunten van haar echtgenoot er echter toe dat het stel aan het hof in politiek en sociaal opzicht steeds verder geïsoleerd raakte.
Pas tegen deze achtergrond is het mogelijk om een goed begrip te vormen van de animositeit die aan het licht kwam bij zelfs de kleinste meningsverschillen over de training, het onderwijs en de representatieve taken van de jonge Wilhelm en zijn broers. De opleiding van een absolutistische of neo-absolutistische vorst is altijd, zoals John Röhl heeft opgemerkt, ‘ipso facto een politieke kwestie van het grootste belang’, omdat ze gevolgen heeft voor de toekomstige uitoefening van de soevereine macht. In het geval van het hof van de Hohenzollerns werden de tegenstellingen nog eens extra gecompliceerd door de partijenstrijd die de kroonprins en zijn echtgenote vervreemdde van de regerende vorst en zijn kanselier.
De polarisatie die daarvan het gevolg was, uitte zich ook in twee tegenovergestelde pedagogische idealen: het ene een anglofiel, liberaal-burgerlijk ideaal dat uitging van de burgerlijke deugden en sociale verantwoordelijkheid; het andere een oud-Pruisisch, aristocratisch ideaal dat gericht was op het aanleren van militaire vaardigheden en discipline. Dat bleek duidelijk toen er ‘civiele’ en ‘militaire’ huisleraren moesten worden gevonden voor prins Wilhelm. De eerste kandidaat die zijn ouders als civiel leraar hadden gekozen, moesten ze laten gaan vanwege zijn progressieve politieke connecties. Uiteindelijk zou men kiezen voor Georg Ernst Hinzpeter, een man met nauwe, zij het indirecte banden met de ‘partij van de kroonprins’, die exclusieve zeggenschap vroeg en kreeg over de opleiding van de prinsen. Hij zou Wilhelms civiele leraar blijven tot diens achttiende verjaardag.
Hinzpeter bepaalde de toon van Wilhelms vroege scholing en stelde een zwaar programma op van lessen Latijn, geschiedenis, godsdienst, wiskunde en moderne talen dat al om zes uur ’s ochtends begon en tot zes uur ’s avond doorging (en in de winter nog een uur langer) en werd afgewisseld (op woensdagen zaterdagmiddagen) met leerzame bezoeken aan mijnen, werkplaatsen, fabrieken en de huizen van arme arbeiders. Ook de twee leraren kwamen met elkaar in conflict over de onderlinge verdeling van de macht en de verantwoordelijkheden.
De eerste militaire leraar van de prins kreeg genoeg van zijn benoeming toen hij besefte dat Wilhelms ouders het leeuwendeel van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van het kind bij Hinzpeter hadden gelegd. Nadat hij in 1867 zijn ontslag had ingediend, brak er een conflict uit over zijn opvolging, waarbij de entourage van de koning direct betrokken raakte. ‘Gelukkig wisten we voet bij stuk te houden […],’ schreef Victoria aan haar moeder, ‘maar ik vind deze bemoeienis met onze zaken onacceptabel. U hebt geen idee hoeveel moeite de regerende partij doet om haar spionnen aan het hof te plaatsen en van hoe fel zij ons haten.’

 

Ook de representatieve taken van de prinsen vormden een aanleiding voor onvrede bij de kroonprinses en haar echtgenoot. In augustus 1872 getuigde ze van haar ‘afschuw’ nadat ze had vernomen dat Wilhelm een Russisch uniform zou moeten dragen ter gelegenheid van het bezoek van de tsaar. ‘Uiteraard wordt mij niets gevraagd en is al dit soort zaken geregeld zonder dat ik er een stem in heb.’ Een van de redenen voor Victoria en Frederik om er bij de keizer op aan te dringen dat hij zou toestaan dat de jongens een kostschool bezochten waar ze samen met leeftijdgenootjes konden worden opgeleid, was dat ze de kinderen wilden onttrekken aan de onderdrukking aan het hof.
De beslissing om Wilhelm naar het lyceum Fredericianum in Kassel te sturen was een ‘experiment’. Geen enkele Hohenzollern-prins had ooit een dergelijke ‘civiele’ scholing genoten. Deze beslissing laat duidelijk zien hoe de opvattingen over de scholing van prinsen aan het veranderen waren, niet alleen in Duitsland, maar ook daarbuiten – George V van Engeland studeerde samen met zijn adellijke leeftijdgenoten aan het Naval College, en zelfs de jeugdige keizer Hirohito bezocht een middelbare school in Tokyo. Het had uiteraard voor de hand gelegen dat Wilhelm een gymnasium in Berlijn bezocht, maar zijn moeder maakte hier bezwaar tegen, omdat de enige school in Berlijn die geschikt was in politiek opzicht ‘te reactionair’ zou zijn geweest.
Uiteraard stuitte het plan op sterk verzet van zijn grootvader. Pas na een langdurige ‘belegering van alle kanten met verschillende belegeringswerktuigen’ kon hij worden overgehaald om ermee in te stemmen. Zoals Victoria opmerkte in een brief aan haar moeder, zou de keizer voortaan niet langer in staat zijn om ‘Wilhelm te dwingen bij alle gelegenheden in Berlijn aanwezig te zijn en stad en land af te reizen – dit was de enige manier om die belachelijke invloed van de keizer een halt toe te roepen.’ De verhuizing naar Kassel was een overwinning voor de pedagogische idealen van de kroonprins en zijn echtgenote. Wilhelms inschrijving aan het gymnasium in Kassel vanaf 1874 betekende dat hij steeds langere tijd niet in Berlijn kon zijn, en wat belangrijker was: dat hij tot zijn achttiende jaar was vrijgesteld van zijn militaire taken (Wilhelm was officieel vanaf zijn tiende al lid van het Eerste Garderegiment Infanterie). Door Wilhelm te onderwerpen aan een strikt meritocratisch pedagogisch regime hoopte men hem ook de arrogantie en de prinselijke luimen af te leren die hij had opgedaan door de kruiperigheid en het ijdel vertoon van het leven aan het hof.

 

Wilhelm is arrogant door de kruiperigheid en het ijdel vertoon van het hofleven

De kroonprinses had altijd wantrouwend gestaan tegenover de rol die het leger speelde in de socialisatie van haar oudste zoon, en ze was bijzonder gevoelig voor signalen dat hij zich aan het reactionaire ethos daarvan begon aan te passen. Al in februari 1871, toen de prins nog pas twaalf was, beweerde ze gemerkt te hebben dat Wilhelm ‘een zekere gevoeligheid had voor de oppervlakkige en bekrompen opvattingen van het leger’. Het was dan ook vooral aan haar te danken dat haar zoon een – naar Hohenzollern-maatstaven gemeten – relatief weinig militaire opvoeding genoot.

 

Tot hij zijn studie aan de universiteit van Bonn had voltooid, waren Wilhelms militaire verplichtingen nadrukkelijk ondergeschikt aan zijn ‘civiele’ scholing. Dat verklaart wellicht waarom Wilhelm zich, ondanks zijn ontegenzeggelijke belangstelling voor de cultuur en de ambiance en met name ook de uniformen van het regimentsleven, nooit de zelfonderwerping en -discipline lijkt te hebben eigen gemaakt die een volwaardige Pruisische militaire scholing nog altijd probeerde bij te brengen. Hij had moeite om te accepteren dat hogere officieren hem corrigeerden of zelfs ook maar adviseerden.
Zelfs na vijf jaar aan Wilhelms zijde als zijn militair adjudant, van 1879 tot 1884, moest kapitein Adolf von Bülow erkennen dat hij er niet in was geslaagd het effect van de opvoeding van de prins te corrigeren. Wilhelm had weliswaar de uiterlijke vormen overgenomen, maar niet de waarden en de mentaliteit van een Pruisische officier. Wilhelm was niet de creatuur van Potsdam en het exercitieplein die sommige populaire biografieën in het verleden hebben geschetst, maar eerder een militaire dilettant. Ondanks haar regelmatige klachten was het plan van zijn moeder om de aanspraken die het leger deed op haar zoons te saboteren een succes.
Of de merkwaardige combinatie van Hinzpeter, Potsdam, Kassel en Bonn die Wilhelm had gevormd uiteindelijk een beter resultaat had opgeleverd dan het traditionele model, is weer een andere vraag. Men zou kunnen stellen dat de merkwaardige besluiteloosheid van Wilhelms opvoeding, het heen-en-weer tussen twee tegenovergestelde leefwerelden, het ontbreken van een duidelijke eenheid, juist heeft voorkomen dat hij tot een coherente kijk op het leven of een stabiele gedragscode heeft kunnen komen.

 

Uit de zo nu en dan opvlammende meningsverschillen over Wilhelms opvoeding blijkt wel hoe groot de gevolgen van de spanningen tussen de verschillende generaties, de persoonlijke vijandschappen en de partijenstrijd waren voor het jonge leven van de prins. In deze conflicten speelde Wilhelm een passieve rol. Hij was de speelbal van het berekenende gedrag van anderen. Op een bepaald moment moet hij zich echter bewust zijn geworden van de bewegingsruimte die was ontstaan door de langdurige vete tussen zijn ouders en de regeringspartij. Dat bleek duidelijk in 1883, toen zijn vader hem vroeg mee te gaan tijdens een officiële reis naar Spanje.
Hij had daar geen zin in, maar in plaats van botweg te weigeren vroeg hij in het geheim aan zijn grootvader, die zijn scepticisme over deze kostbare onderneming niet onder stoelen of banken had gestoken, om de reis te verbieden, omdat het ongewenst zou zijn dat hij zijn bataljon op dat moment in de steek liet. Het zal ongetwijfeld niet het eerste succes zijn dat hij op deze manier boekte. Toen Frederik in november 1883 ontdekte wat er werkelijk was gebeurd, beschuldigde hij zijn zoon er tijdens een verhit gesprek van ‘al heel lang achter de rug van zijn ouders om zaken te hebben gedaan met de keizer’.
Deze samenwerking tussen keizer Wilhelm I en zijn kleinzoon was het bewijs van de langzame verschuiving van de affecties binnen de familie. Wilhelm had sinds zijn vijftiende een steeds hechtere band ontwikkeld met zijn grootvader. Tegen het begin van de jaren 1880 begon het tijdgenoten ook op te vallen hoe goed de twee het met elkaar konden vinden, en rond 1880 werden bovendien de eerste tekenen zichtbaar van een groeiende afstand tussen Wilhelm en zijn ouders. Dat was deels het gevolg van Wilhelms verlangen naar een grotere zelfstandigheid nadat hij zich in april 1879 had verloofd met Auguste Viktoria van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Augustenburg.

 

Sinds zijn vijftiende heeft Wilhelm een hechtere band met zijn grootvader

Wilhelms ouders, en met name zijn moeder, hadden een doorslaggevende rol gespeeld bij de totstandkoming van deze verloving, ondanks de protesten van iedereen (onder wie ook de oude keizer) die bezwaar maakte tegen de relatief bescheiden afkomst van de bruid. Als Wilhelms moeder echter had gedacht dat het huwelijk haar dichter bij haar zoon zou brengen, had ze zich vergist.

 

Anglofoob, allesbehalve vrijzinnig en zeer orthodox in haar geloofsovertuigingen, bleek ‘Dona’, zoals Auguste Viktoria zich door haar vrienden liet noemen, al snel ‘een van de grote steunpilaren van die krachten die fel tegenstander waren van het kroonprinselijk paar en hun waarden’. De vervreemding tussen de twee huishoudens die hiervan het gevolg was, werd nog eens vergroot doordat Wilhelm uitdrukkelijk afstand nam van de vrijzinnige politieke opvattingen die ertoe hadden geleid dat de kroonprins en zijn echtgenote waren veroordeeld tot een oppositierol aan het hof in Berlijn.
Tijdens verschillende onaangename confrontaties met zijn vader in het begin van de jaren 1880 maakte Wilhelm duidelijk dat zijn politieke sympathie uitging naar het regime dat op dat moment aan de macht was. Wat ongewoon was aan de jaren 1880 was het feit dat er nu drie volwassen generaties waren, zodat de oudste en de jongste konden samenspannen tegen de middelste. Wilhelms toenadering tot de soeverein wierp de eerste politieke vruchten af in 1884, toen hij werd gekozen om leiding te geven aan een belangrijke ceremoniële missie naar Rusland. Er waren goede redenen om Wilhelm te sturen in plaats van zijn vader, niet in de laatste plaats vanwege de ‘belachelijk anti-Russische houding’ van die laatste, maar Frederik, die er pas over te horen kreeg nadat de beslissing al was genomen, had terecht het gevoel dat men hem bewust had genegeerd. Bij zijn terugkeer uit Rusland wachtte Wilhelm dan ook een koele ontvangst door zijn ouders.
Wilhelms twaalf dagen durende bezoek aan Rusland was een succes. Hij kon het goed vinden met tsaar Alexander en lijkt een uitstekende indruk te hebben gemaakt op zijn Russische gesprekspartners. Nu ontwikkelde hij de merkwaardige gewoonte om direct per brief te rapporteren aan zijn grootvader, hetgeen het protest uitlokte van de Duitse ambassadeur in Sint-Petersburg, die het gevoel had dat de ‘geheime diplomatie’ van de prins hem in zijn officiële capaciteit ondermijnde. Zelfs al voor hij het Russische grondgebied weer had verlaten begon hij, met medeweten van Bismarck, een ‘geheime correspondentie’ met de tsaar, waarin hij zichzelf tegenover de Russische soeverein voordeed als een ferm tegenstander van de russofobische positie van zijn vader.
Ook het jaar daarop hield Wilhelm deze ‘hotline’ met de tsaar open, aangemoedigd door Bismarck. Deze opvallende schending van de vertrouwelijkheid binnen de familie tegenover een vreemde vorst laat zien hoever hij bereid was te gaan om zijn eigen profiel te versterken en daarvoor de vijandigheden en de politieke meningsverschillen aan het hof van de Hohenzollerns uit te buiten.
De missie naar Rusland van 1884 had daarnaast een belangrijke precedentwerking voor Wilhelms latere gedrag als monarch. Het zou niet de laatste keer zijn dat Wilhelm zich onbezorgd een diplomatieke rol toe-eigende waarvoor hij geen enkele training of instructie had gehad. Gedurende zijn gehele bewind was hij geneigd om diplomatie te beschouwen als iets wat uitsluitend tussen dynastieën bestond, en overschatte hij de rol van het persoonlijke contact tussen soevereinen bij de instandhouding van internationale betrekkingen enorm.

Dit artikel is gebaseerd op een hoofdstuk uit Wilhelm II. De laatste Duitse keizer (496 p. Bezige Bij, € 39,99) van de Australische historicus Christopher Clark. Als koning van Pruisen, Duitse keizer, opperbevelhebber en balling was Wilhelm II een van de belangrijkste en meest controversiële figuren van het twintigste-eeuwse Europa. Maar hoeveel macht had hij werkelijk? Clark – die eerder het veelgeprezen Slaapwandelaars schreef – volgt Wilhelm vanaf zijn jeugd via de Eerste Wereldoorlog en de ineenstorting van Duitsland in 1918 tot zijn dood in Huis Doorn.